Berekenen werkelijk stikstofgebruik

Meer artikelen
Koeien in de wei - gebruiksnormen dierlijke mest

Om na te gaan of u binnen de gebruiksnorm voor stikstof blijft, moet u ook weten hoeveel stikstof u daadwerkelijk gebruikt.

Dit berekent u als volgt:

  • Tel bij elkaar op: stikstof in de beginvoorraden meststoffen, productie dierlijke meststoffen en de aanvoer meststoffen.
  • Trek daarvan af: stikstof in de afvoer meststoffen en de eindvoorraad meststoffen.

Werkingscoëfficiënt

Niet alle stikstof die u op uw land aanbrengt, wordt opgenomen door de gewassen. Daarom berekent u de daadwerkelijk gebruikte hoeveelheid stikstof aan de hand van een werkingscoëfficiënt. Wat die coëfficiënt is, hangt onder meer af van de diersoort, grondsoort en het moment van aanbrengen. U vindt de waardes in tabel 3 Werkingscoëfficiënt op de pagina Tabellen en normen.

Vermenigvuldig de hoeveelheid gebruikte mest met de werkingscoëfficiënt, en doe dit voor alle gebruikte dierlijke mest, compost, zuiveringsslib en overige organische meststoffen op uw bedrijf. Houd er rekening mee dat de werkingscoëfficiënt kan afwijken bij maaien of weiden, bij mengsels van meststoffen en bij mestscheiding.

Mestscheiding

Na mestscheiding ontstaat een dunne en een dikke fractie. Voor de werkingscoëfficiënt maakt het verschil wat u met deze dunne en dikke fractie doet. Lees meer hierover op de pagina Werkingscoëfficiënt na mestscheiding.

Begin- en eindvoorraad

De beginvoorraad stikstof op uw bedrijf moet op 1 januari gelijk zijn aan de eindvoorraad van 31 december in het voorgaande jaar. Dat geldt voor het volgende stikstof:

  • Dierlijke mest: op de pagina Dierlijke mest gebruiksnorm en gebruiksruimte vindt u de berekening van de begin- en eindvoorraad.
  • Compost en zuiveringsslib: voor de gehalten stikstof in compost en zuiveringsslib gebruikt u de gegevens op het Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost (VZC). Het gewicht bepaalt u door het volume te vermenigvuldigen met het soortelijk gewicht van de compost en zuiveringsslib. Het soortelijk gewicht bepaalt u door een bepaald volume af te wegen (voorbeeld: 50 liter weegt 40 kilogram, dus het soortelijk gewicht is 0,8 kg/l). De hoeveelheid stikstof in de voorraad compost en zuiveringsslib berekent u vervolgens door het gewicht te vermenigvuldigen met de gehalten.
  • Overige meststoffen: hieronder verstaan we kunstmest en schuimaarde. De hoeveelheid stikstof staat op de verpakking of de begeleidende documenten. Bij bulkopslag bepaalt u het gewicht door het volume te vermenigvuldigen met het soortelijk gewicht van de meststoffen. Het soortelijk gewicht bepaalt u door een bepaald volume af te wegen (voorbeeld: 50 liter weegt 40 kilogram, dus het soortelijk gewicht is 0,8 kg/l).

Aan- en afvoer

Voert u meststoffen aan of af? Tel dan de hoeveelheden stikstof op van de volgende mestsoorten op uw bedrijf:

  • Dierlijke mest: op de pagina Dierlijke mest gebruiksnorm en gebruiksruimte vindt u de berekening van de aan- en afvoer.
  • Compost en zuiveringsslib: voor de hoeveelheid aan- en afgevoerde stikstof in compost en zuiveringsslib gebruikt u de gegevens op het Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost (VZC).
  • Overige meststoffen: hieronder verstaan we onder andere kunstmest en schuimaarde. De hoeveelheid stikstof staat op de verpakking of de begeleidende documenten.

Productie

Houdt u dieren op uw bedrijf? De geproduceerde hoeveelheid stikstof en fosfaat in de dierlijke mest telt ook mee. Belangrijk is het verschil tussen graasdieren en staldieren. Deze indeling ligt vast en vindt u in tabel 4 Diergebonden normen op de pagina Tabellen en normen. Hoeveel stikstof en fosfaat uw dieren produceren in de dierlijke mest, berekent u als volgt:

Graasdieren

Geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest = gemiddeld aantal dieren x kilogram stikstof en fosfaat. De normen vindt u in de tabellen 4 Diergebonden mestproductie- en excretienormen en 6 Stikstof- en fosfaatgetallen mest per melkkoe op de pagina Tabellen en normen. Hoe u het gemiddeld aantal graasdieren berekent, leest u op de pagina Veelgestelde vragen over Gebruiksnormen.

Hoe u dieren meetelt die u weidt op grond van een ander of hoe u dieren van een veehouder meetelt die u op uw grond laat grazen, leest u op de pagina Uit- en inscharen.

Staldieren

Hoeveel dierlijke mest uw staldieren produceren, berekent u met de stalbalans. Daarin rekent u zoveel mogelijk met de werkelijke hoeveelheden stikstof en fosfaat. Zijn deze niet bekend, reken dan met de normen uit de tabellen 7 Forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat in dieren, 8 Forfaitaire gehalten stikstof en fosfaat in eieren en 9 Forfaitaire opbrengst en stikstof- en fosfaatgehalten in ruwvoer en enkelvoudig diervoer op de pagina Tabellen en normen. De berekening is als volgt:

Tel bij elkaar op, de totale hoeveelheid fosfaat en stikstof in:

  • de aangevoerde staldieren, en
  • de aangevoerde of geproduceerde diervoeders voor staldieren, en
  • de beginvoorraad diervoeders voor staldieren, geproduceerde eieren en aanwezige staldieren

Trek daarvan af de hoeveelheid fosfaat en stikstof in:

  • de afgevoerde staldieren, en
  • de afgevoerde diervoeders voor staldieren, en
  • de geproduceerde eieren, en
  • de eindvoorraad diervoeders voor staldieren, geproduceerde eieren en aanwezige staldieren, en
  • de gasvormige stikstofverliezen (stikstofcorrectie)

Hoe u de stikstofcorrectie en het gemiddeld aantal dieren berekent, leest u op de pagina Veelgestelde vragen over Gebruiksnormen.

Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee

Bent u melkveehouder en komt de werkelijke excretie van uw melkveestapel niet overeen met de forfaits voor melkvee? Dan kunt u daarvan afwijken. Gebruik hiervoor de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee (BEX), onderaan deze pagina.

De handreiking is geactualiseerd. In de versie van 29 juni 2018 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • In de voorwaarden staat nu een ondergrens voor de melkproductie van de melkkoeienstapel en een bovengrens voor het aandeel jongvee ten opzichte van de melkkoeien. Ook moet u grasland of natuurterrein met hoofdfunctie natuur dat u gebruikt, meenemen in de BEX-berekening als iets wat tot het bedrijf behoort.
  • Het gemiddelde lichaamsgewicht van volwassen zwartbonte melkkoeien is 650 kg. Dit was 600 kg. Dat van een kruising van een zwartbonte koe en een Jersey-stier, of eventueel andersom, is 525 kg. Dat was 500 kg. Hierdoor zijn ook de lichaamsgewichten van het jongvee aangepast.
  • De netto-energietoeslagen voor melkkoeien en jongvee zijn onder andere door de herziening van de lichaamsgewichten ook veranderd. Deze herziening heeft ook geleid tot veranderingen in de formules voor berekening van de VEM-opname uit vers gras, grasproducten en snijmaïskuil.
  • Het vervangingspercentage in de melkveestapel is 28%. Dat was 30%. Ook het aantal kalveren, geboren per koe en per stuks jongvee dat ouder dan een jaar is, per kalenderjaar is geactualiseerd: 0,70 respectievelijk 0,79.
  • De energiebehoeften of VEM-opnames van overige graasdieren zijn herzien.
  • In de gasvormige verliezen is uitgegaan van de berekeningswijze in de rekentool Bedrijfsspecifieke Emissie van Ammoniak (BEA). De mate van ammoniakemissie hangt sterk samen met de hoeveelheid Totaal Ammoniakaal Stikstof (TAN) die aanwezig is of wordt gevormd in de mest. Er wordt daarbij rekening gehouden met het verschil tussen verteringscoëfficiënten van het ruw eiwit in de onderscheiden voeders en met het verschil tussen ammoniakemissies uit onderscheiden staltypes. In de vorige Handreiking BEX werd uitgegaan van vaste emissiefactoren voor drijfmest en vaste mest, onderscheiden naar de 3 diercategorieën melkvee.

Handreiking bedrijfsspecifieke excretie 2018

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2018, gebruikt u de versie van 29 juni 2018. De ExcretieWijzer 2018 berekent de mestproductie van een melkveestapel volgens de rekenregels van de handreiking.

Handreiking bedrijfsspecifieke excretie 2017

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2017, gebruikt u de versie van 20 maart 2017. De ExcretieWijzer 2017 berekent de mestproductie van een melkveestapel volgens de rekenregels van de handreiking. 

Handreiking bedrijfsspecifieke excretie 2015 en 2016

Voor de berekening van de bedrijfsspecifieke excretie melkvee over het kalenderjaar 2016 blijft de Handreiking van 1 mei 2015 uitgangspunt. U mag de versie van 28 december 2016 gebruiken, omdat de nieuwe versie weinig verschilt in het eindresultaat met de handreiking die sinds 1 mei 2015 geldt.

De ExcretieWijzer 2016 berekent de mestproductie van een melkveestapel volgens de rekenregels van de handreiking die voor 2016 gelden. En de ExcretieWijzer 2015 berekent de mestproductie van een melkveestapel volgens de rekenregels van de handreiking die voor 2015 gelden.  

Service menu right