Toepassing van het jongveegetal in de praktijk

Meer artikelen
koe-kalf-header

In de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 is bij de laatste wijzigingen een nieuwe term geïntroduceerd: het jongveegetal. Dit is opgenomen om te voorkomen dat melkveehouders hun vee tijdelijk onderbrengen bij niet-melkproducerende bedrijven die niet meer onder het fosfaatreductieplan vallen.

"Voor het jongveegetal zijn vervolgens uitzonderingen vastgesteld gezien de vele praktische problemen die het jongveegetal in de praktijk opriep", zegt Mark Helmerhorst, adviseur uitvoering mestbeleid bij RVO.nl. Hij geeft uitleg over toepassing van het jongveegetal in de praktijk en hoe het wordt berekend.

Alleen voor melkproducerende bedrijven

"Sinds maart 2017 is de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 van kracht", zo begint Helmerhorst zijn verhaal. "Om te voorkomen dat bedrijven koeien tijdelijk zouden verplaatsen naar bedrijven die niet onder de regeling vielen, gold het plan aanvankelijk voor zowel melkproducerende als niet-melkproducerende bedrijven. Met dit 'weglekeffect' zou immers geen fosfaatproductie worden verminderd, terwijl dit op papier wel zo zou lijken. Hierdoor zou feitelijk de fosfaatproductie op nationaal niveau niet verminderd worden. Maar in de praktijk bleek dit te leiden tot onbedoelde negatieve effecten bij de niet-melkproducerende bedrijven. Daarom werd de regeling op 12 april beperkt tot melkproducerende bedrijven. Om het weglekkeffect te ondervangen, is het jongveegetal geïntroduceerd."

Binnen de regeling wordt onder een melkproducerend bedrijf verstaan: een bedrijf dat koemelk produceert bestemd voor consumptie en verwerking en deze melk aflevert aan een zuivelbedrijf.

Introductie jongveegetal

Het jongveegetal is de verhouding (in grootvee-eenheden ofwel GVE) tussen het op het bedrijf aanwezige aantal jongvee en het aantal afgekalfde koeien op 28 april 2017. Afvoer van jongvee telt alleen mee als reductie, zolang de verhouding (in GVE) tussen jongvee en melkkoeien groter of gelijk is aan het jongveegetal.

Voor de berekening van de geldsom vanaf 1 juni 2017 moet elk melkproducerend bedrijf eerst zijn jongveegetal berekenen. De formule voor het jongveegetal is: het aantal vrouwelijke runderen (uitgedrukt in GVE) van de veehouder op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd, gedeeld door het aantal runderen van de veehouder op die datum dat ten minste eenmaal gekalfd heeft.

Berekening te betalen geldsom
Voor elke periode wordt een geldsom opgelegd. De geldsom wordt berekend op basis van iedere tweede maand van een periode.

Voorbeeld

Een bedrijf had op 28 april 2017 100 koeien, 20 vrouwelijke kalveren (jonger dan 1 jaar) en 25 pinken (1 jaar en ouder). Zijn jongveegetal is dan:

4,6 GVE (20 x 0,23) + 13,25 GVE (25 x 0,53)
------------------------------------------------- = 0,18
100 GVE

Nuancering in regeling

De effecten van het jongveegetal waren echter onderschat. Naar aanleiding van de eerste publicatie van de regeling hadden sommige bedrijven bijvoorbeeld al afspraken gemaakt en contracten afgesloten voor het exporteren van jongvee. Ook gaf de stand op de peildatum van 28 april 2017 niet altijd een representatief beeld van de jongveesituatie. "Er zijn daarom uitzonderingen aangebracht waardoor het jongveegetal op bepaalde bedrijven niet van toepassing is en waar dan alle afvoer van jongvee wel meetelt als reductie", aldus Helmerhorst.

Uitzonderingen jongveegetal

Het jongveegetal geldt niet voor bedrijven die op of na 1 juni 2017 vrouwelijk jongvee (ouder dan 35 dagen) uitsluitend afvoeren voor export, slacht of in verband met sterfte. Deze bedrijven mogen vrouwelijk jongvee tot en met 35 dagen wel afzetten naar bedrijven met een Nederlands UBN. Wanneer de houder runderen van ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd (in verband met quarantaine voordat het rund geëxporteerd wordt) heeft geplaatst op een erkend verzamelcentrum of in een door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit goedgekeurde inrichting, dan wordt dit ook beschouwd als export.

Bedrijven die zich niet houden aan de criteria die noodzakelijk zijn om het jongveegetal buiten werking te stellen, moeten vanaf de periode dat zij zich niet aan deze criteria houden tot aan het einde van 2017 voldoen aan het jongveegetal.

"Afvoer van runderen die tenminste een keer hebben gekalfd, telt als reductie", licht Helmerhorst toe. "Aanvullend geldt hierbij wel de voorwaarde dat de runderen die na 28 april 2017 naar een niet-melkproducerend bedrijf zijn afgevoerd, niet binnen 4 maanden terug mogen keren naar het oorspronkelijke melkproducerende bedrijf."

Voorbeeld 1

Als een bedrijf op 30 mei 2017 een rund ouder dan 35 dagen dat nog niet heeft gekalfd, heeft afgevoerd naar een ander Nederlands bedrijf, maar dit vanaf 1 juni 2017 niet meer doet, dan hoeft het bedrijf niet te rekenen met het jongveegetal.

Voorbeeld 2

Als een bedrijf op 12 juli 2017 een rund ouder dan 35 dagen dat nog niet heeft gekalfd, afvoert naar een ander Nederlands bedrijf, dan moet dit bedrijf vanaf periode 3 rekenen met het jongveegetal. Dat geldt voor de rest van het jaar.

Meer weten?

Op de website van ZuivelNL staat een rekenmodel waarmee u de gevolgen van de regeling voor uw bedrijf kunt inschatten. Het model rekent standaard met het jongveegetal. Of het jongveegetal op u van toepassing is, hangt van de bestemming van het van uw bedrijf afgevoerde jongvee af. Meer informatie vindt u op de pagina Fosfaatreductieplan: vragen en antwoorden op de website van ZuivelNL.

Service menu right