Berekening fosfaatrechten

Produceert u dierlijke mest met melkvee op uw bedrijf? Sinds 1 januari 2018 mag bedrijfsmatig gehouden melkvee niet meer fosfaat produceren dan het aantal fosfaatrechten dat u heeft.

Had u op 1 januari 2018 een landbouwbedrijf? En had u melkvee op 2 juli 2015? Dan heeft u van ons een beschikking met fosfaatrechten ontvangen. Op deze pagina leest u hoe de fosfaatrechten per bedrijf berekend is.

Berekening fosfaatrechten

Bij de berekening van uw fosfaatrechten gebruiken wij per bedrijf de volgende gegevens:
•Aantal stuks melkvee op 2 juli 2015
•Melkproductie in 2015
•Gemiddeld aantal melkkoeien in 2015
•Fosfaatruimte

Fosfaatproductie

Het aantal melkkoeien dat u op 2 juli 2015 hield zijn bepalend voor het aantal fosfaatrechten dat u kunt krijgen. Deze toegestane mestproductie voor deze dieren stellen we vast op basis van forfaitaire normen.

Heeft u in 2015 deelgenomen aan de BEP-pilot? Dan rekent u met de bedrijfsspecifieke excretienorm voor fosfaat, zoals in de BEP-beschikking staat.

Berekenen melkproductie zelfzuivelaar

Bent u een zelfzuivelaar? Dan gelden andere normen voor het vaststellen van de gemiddelde melkproductie per melkkoe. Als zelfzuivelaar rekent u met de forfaitaire melkproductie van 7.500 kilogram melk per koe per jaar en een ureumgehalte van 26 milligram per 100 gram melk. U mag alleen met deze norm rekenen als u voldoet aan de 2 volgende voorwaarden:

  • U verwerkt als landbouwer zelf 50% of meer van de koemelk die op uw bedrijf is geproduceerd tot eindproduct. Een eindproduct is een product dat niet verder bewerkt hoeft te worden en klaar is voor de verkoop aan consumenten.
  • U levert minder dan 50% van de melk dat op uw bedrijf is geproduceerd aan een koper. Een koper is een onderneming of groepering die melk van u koopt en dit daarna inzamelt, verpakt, opslaat, koelt of verwerkt. Een koper kan de melk ook doorverkopen aan een of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken.
Levert u 50% of meer van de melkproductie aan een koper of verwerkt u minder dan 50% van de melk die op uw bedrijf is geproduceerd tot eindproduct? Dan gaat u uit van de werkelijke gemiddelde melkproductie en het ureumgehalte dat door de zuivelfabriek is vastgesteld.

Fosfaatruimte

De fosfaatruimte = de bij ons geregistreerde oppervlakte landbouwgrond in 2015 x de fosfaatgebruiksnorm 2015 + de bij ons geregistreerde oppervlakte natuurterrein in 2015 x de hoeveelheid fosfaat die op natuurterrein mag worden gebruikt.

De fosfaatgebruiksnorm 2015 vindt u in Tabel 2 Fosfaatgebruiksnormen 2014-2017 (pdf).
De geregistreerde oppervlakte grond is de oppervlakte uit uw Gecombineerde opgave 2015. Wij gebruiken de gewascodes voor grasland, bouwland en natuurterrein hiervoor. Wij hebben ook rekening gehouden met de fosfaattoestand van de bodem (PAL- en Pw-waarde).

Grondgebondenheid en generieke korting

Met de fosfaatruime berekent u de grondgebondenheid van uw bedrijf: het gemiddeld aantal stuks melkvee in 2015 x de forfaitaire norm - de fosfaatruimte in 2015. Is de uitkomst negatief of nul? Dan is uw bedrijf grondgebonden.

Om te zorgen dat de fosfaatproductie binnen het fosfaatplafond blijft, krijgen bedrijven met een fosfaatoverschot per 1 januari 2018 een generieke korting toegepast van maximaal 8,3%. Dit percentage staat in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Bedrijven die een relatief klein fosfaatoverschot hadden, krijgen een gedeeltelijke vrijstelling van deze generieke korting. Deze bedrijven worden alleen gekort als zij meer fosfaatrechten hebben de de fosfaatruimte. Volledig grondgebonden bedrijven krijgen geen generieke korting.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

SituatieKorting
Bedrijf is grondgebondenGeen korting
Bedrijf is niet grondgebonden + verschil tussen fosfaatrechten en fosfaatruimte kleiner dan de generieke kortingKorting met verschil
Bedrijf is niet grondgebonden + verschil tussen fosfaatrechten en fosfaatruimte groter dan de generieke kortingGenerieke korting van 8,3%

Voorbeeld

Een bedrijf met een relatief klein fosfaatoverschot, heeft een fosfaatruimte van 4.800 kg. Op basis van het aantal gehouden melkkoeien op 2 juli 2015 krijgt het bedrijf 5.000 fosfaatrechten toegekend .
De generieke korting is 8,3% van 5.000 = 415
Het verschil tussen de fosfaatrechten en de fosfaatruimte is 5.000 - 4.800 = 200.
Het bedrijf krijgt daarom een korting met het verschil: in dit geval 200 en ontvangt 4.800 rechten.

Als het bedrijf in 2015 niet grondgebonden is geweest en een fosfaatruimte had van 4.500 kg, dan geldt de generieke korting van 415 fosfaatrechten.
Het bedrijf ontvangt dan 5.000 - 415 = 4.585 rechten.

Rekentool fosfaatrechten

In het fosfaatrechtenstelsel is het van groot belang dat u weet hoeveel fosfaatrechten u nodig heeft. U moet zelf zorgen dat er voldoende fosfaatrechten voor uw bedrijf zijn geregistreerd. Met de rekentool onderaan deze pagina kunt u eenvoudig berekenen hoeveel fosfaatrechten uw bedrijf nodig heeft.

Hoe gebruikt u de rekentool?

U heeft de volgende gegevens nodig over het hele jaar 2018:

  • Het gemiddeld aantal dieren in categorie 100
  • Het gemiddeld aantal dieren in categorie 101
  • Het gemiddeld aantal dieren in categorie 102
  • De totale melkproductie

Stap 1
Vul het gemiddeld aantal 100-, 101- en 102 dieren in met maximaal 2 cijfers achter de komma. Gebruik een komma bij een decimaal getal.

Stap 2
Vul vervolgens de berekende/verwachtte totale melkproductie in. In het gele vak ziet u het verwachte aantal benodigde fosfaatrechten dat nodig is voor uw bedrijf. Dit is een inschatting op basis van de gegevens die u heeft ingevuld.

Toelichting stap 1: Hoe bereken ik het gemiddeld aantal dieren per categorie?

U bepaalt het aantal stuks jongvee en het aantal melk- en kalfkoeien op basis van uw eigen administratie. Gebruik bijvoorbeeld een CRV stallijst of veesaldokaart van uw bedrijf. Op onze informatiepagina Fosfaatrechten algemeen staat een beschrijving van de verschillende diercategorieën. U berekent het gemiddeld aantal dieren dat u op het bedrijf houdt zo: het dagelijks aantal aanwezige dieren per categorie gedeeld door het aantal dagen van het kalenderjaar (365).

Toelichting stap 2: Hoe bereken ik de totale melkproductie?

U gaat hierbij uit van de hoeveelheid melk die in een kalenderjaar op het bedrijf wordt geproduceerd. De gemiddelde melkproductie per melkkoe bepaalt u door de hoeveelheid koemelk die in het jaar op uw bedrijf is geproduceerd, te delen door het gemiddeld aantal melkkoeien dat u in het jaar op uw bedrijf heeft.Voor de berekening van de totale mestproductie van melkkoeien vermenigvuldigt u het gemiddeld aantal melkkoeien dat u in het jaar op uw bedrijf heeft met de bijbehorende forfaitaire norm.

Bij gebruik van de leveringsgegevens van uw zuivelonderneming om uw melkproductie te bepalen geldt voor de melkleveringen rond de jaarwisseling dat u deze naar rato toerekent aan het betreffende kalenderjaar of aan het voorgaande kalenderjaar waarin de melk is geproduceerd. Bijvoorbeeld: de melk is op 2 januari 2019 (in de ochtend) geleverd. Deze melk is geproduceerd op 30 december 2018, 31 december 2018 en 1 januari 2019. Dan telt 2/3 deel mee voor de melkproductie voor het kalenderjaar 2018 en 1/3 deel voor het kalenderjaar 2019.

Download:

Service menu right