Fase windproject - MER en vergunningen

Nadat klimaat- en energiebeleid is opgesteld of op basis van een quickscan een geschikte plek voor een windpark is gevonden, komt de volgende fase. Eerst moeten er onderzoeken komen naar de mogelijke effecten van het park op de omgeving. Dit gebeurt met een milieueffectrapportage (MER). Daarna is het tijd om de vergunningen aan te vragen.

Milieueffectrapportage

In de meeste gevallen is een MER vereist na besluiten die de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark mogelijk maken. Hierin worden effecten op de omgeving onderzocht. Voor windparken van 20 windturbines of meer moet de initiatiefnemer een MER uitvoeren (categorie C22.2 Besluit MER).

Voor alle andere gevallen geldt een MER-beoordelingsplicht (categorie D22.2 Besluit MER). Bij een opgesteld vermogen minder dan 15 MW mag de MER-beoordeling vormvrij worden ingevuld. De beoordelingscriteria die volgen uit de Europese MER-richtlijn zijn voor de formele en vormvrije MER-beoordeling gelijk. In beide gevallen moet men een aanmeldingsnotitie indienen.

Het volgende schema geeft aan wanneer een MER-(beoordelings)plicht optreedt:

Naast de MER-beoordelingsplicht voor besluiten kan een planMER-plicht optreden voor plannen. Deze plannen scheppen een kader voor een MER-beoordelingsplichtig besluit of lopen daarop vooruit. In beginsel treedt een planMER-plicht op voor alle plannen die de oprichting, wijziging op uitbreiding van een windpark mogelijk maken, ongeacht het opgesteld vermogen maar vanaf minimaal 3 windturbines.

Omgevingsvergunning

Het realiseren van een windpark vraagt om verschillende activiteiten, zoals ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘aanleggen’. Afhankelijk van het project kunnen hier ook andere activiteiten onder vallen zoals de aanleg van toegangswegen en het kappen van bomen. Voor al deze activiteiten moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Het bevoegd gezag beslist hierover. De gemeenteraad en/of Provinciale Staten moet een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgeven als sprake is van een vergunning voor ‘afwijken van het bestemmingsplan’.

Als het gaat om een park van 3 of meer windturbines, waarbij de drempelwaarde uit het Besluit MER (10 windturbines of meer/gezamenlijk opgesteld vermogen 15 MW of meer) niet wordt gehaald, geldt een MER-beoordelingsplicht. In die gevallen moet men een aanvraag voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM-vergunning) indienen, tenzij vrijwillig invulling is gegeven aan de MER-plicht.

Vergunning op bandbreedte

Als het turbinetype nog niet bekend is, kan een ‘vergunning op bandbreedte’ worden aangevraagd. Turbinetypes die vallen binnen de in de vergunning vermelde bandbreedtes voor tiphoogte, rotordiameter en ashoogte worden dan mogelijk gemaakt. De vergunning op bandbreedte is in 2014 door de Raad van State toegestaan (ABRvS 25 juni 2014, 201400736). Let wel: de onderbouwende onderzoeken moeten wel de milieueffecten voor de gehele bandbreedte weergeven. Dit wordt ondervangen door de milieueffecten voor de minimale en maximale bandbreedtes te onderzoeken.

Overige vergunningen

Mogelijk zijn ook andere vergunningen verplicht. Bijvoorbeeld een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming, als dit blijkt uit natuuronderzoek. Ook gelden vanuit het Rijk, provincie en waterschappen regels rond de verplichting van een watervergunning voor bepaalde activiteiten. Plaatselijke bijzonderheden kunnen ervoor zorgen dat andere specifieke vergunningen nodig zijn.

Coördinatieprocedure

De coördinatieprocedure uit de Wro stelt gemeenten in staat vergunningen gecoördineerd met het bestemmingsplan voor te bereiden. De gemeenteraad moet daarvoor een zogenaamd coördinatiebesluit nemen waarin de besluiten zijn opgesomd waarop de coördinatie van toepassing is. Dat leidt tot aanzienlijke tijdwinst in de procedure zonder rechtsbescherming voor belanghebbenden in te leveren. De coördinatieprocedure is verplicht wanneer de provincie of het Rijk een inpassingsplan opstelt of een omgevingsvergunning voor afwijken verleent. De besluiten waarvoor dit geldt, zijn aangewezen in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. De minister of het college van GS kan bij besluit extra vergunningen onder coördinatie brengen of besluiten aanwijzen die buiten coördinatie blijven.

Bij coördinatie liggen de ontwerp-vergunning en het ontwerpbestemmingsplan tegelijkertijd ter inzage. De vergunningen worden direct na vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan verleend en opnieuw tegelijkertijd ter inzage gelegd.

Versnelde beroepsprocedure

Door toepassing van de coördinatieprocedure kan men geen bezwaar maken tegen het bestemmingsplan en de gecoördineerde vergunningen, maar moet men direct in beroep gaan bij de Raad van State. Op grond van de Crisis- en herstelwet (Chw) moet hier binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift de zitting plaatsvinden.

Meer weten?

Service menu right