Service menu right

Obstakelverlichting bij windprojecten

Uit oogpunt van vliegveiligheid moeten windturbines of -parken worden voorzien van 'obstakelverlichting'. Op basis van internationale ICAO-richtlijnen bepaalt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) welke verlichting een windpark moet voeren. Momenteel moeten in principe alle windturbines met een tiphoogte hoger dan 150 meter worden voorzien van obstakelverlichting. Hinder van obstakelverlichting bij omwonenden is een belangrijke bron van maatschappelijke weerstand tegen windparken.

In 2015 hebben testen plaatsgevonden met het verminderen van de hoeveelheid en intensiteit van obstakelverlichting en de beleving van deze aanpassingen door omwonenden. Hierop heeft de ILT de herziene richtlijnen (informatiebladen) gepubliceerd voor verlichting van windturbines en windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid op het Nederlandse vasteland en op zee. Deze publicatie maakt het mogelijk om de lichtintensiteit van de verlichting op windturbines aan te passen of vast brandend te maken.

Vast brandende verlichting

Obstakelverlichting knippert normaal gesproken omdat de turbines dan beter zichtbaar zijn voor de luchtvaart: het waarschuwingseffect is groter. Inwoners in de omgeving van een windpark ervaren het knipperen vaak als negatief. Toepassing van vast brandende verlichting kan dit negatieve effect verminderen.

Dimmen van de verlichting

De intensiteit van de verlichting is zo ingesteld dat de lampen ook bij slechte weersomstandigheden goed te zien zijn voor naderende vliegtuigen. Een maatregel om de hinder van verlichting te verminderen, is verlaging van de lichtintensiteit wanneer het zicht in de omgeving goed is. Dit kan door windturbines te voorzien van sensoren die de zichtafstand meten en de intensiteit van de obstakelverlichting aanpassen aan de hand van de weersomstandigheden. De lichtintensiteit mag tot 30% van de gebruikelijke hoeveelheid licht worden gereduceerd.

Toepassing van minder obstakelverlichting

Zolang de onderlinge afstand tussen windturbines niet meer dan 900 meter bedraagt en de hoeken van de opstelling zijn verlicht, hoeven niet alle windturbines in een windpark verlicht te worden. Deze optie mag niet worden uitgevoerd in combinatie met vast brandende verlichting. Deze mogelijkheden ter vermindering van obstakelverlichting zijn opgenomen in de informatiebladen (november 2016).

Onderzoek beperking hinder

In 2018 deed de landelijke projectgroep obstakelverlichting nader onderzoek naar mogelijkheden om de hinder van obstakelverlichting voor omwonenden en de natuur verder te beperken. Dit zonder de luchtvaartveiligheid te verminderen.

Bij windpark Krammer vindt een pilot plaats met radarnaderingsdetectie. De obstakelverlichting wordt alleen ingeschakeld als er laagvliegende luchtvaartuigen zoals kleine vliegtuigen en helikopters in de buurt van de turbines zijn. De eerste resultaten zijn positief.

Verder onderzoekt de projectgroep of het mogelijk is in bepaalde gebieden of perioden ’s nachts de minimum vlieghoogte te verhogen. En daarmee ook de hoogtegrens van 150 meter waarbij obstakelverlichting nodig is. Alternatief is vliegen op infrarood nachtzichtapparatuur in bepaalde gebieden of op bepaalde tijden ’s nachts verplicht te stellen voor laagvliegend luchtverkeer. Infrarode verlichting op de turbines is daarvoor voldoende, want deze is niet zichtbaar voor omwonenden. Of een combinatie van beide opties. Daarvoor is door T070 in 2019 een onderzoek afgerond naar de nachtelijke vliegbewegingen in Nederland.