Service menu right

Subsidies en financiering windprojecten

Het ontwikkelen van een windpark brengt veel kosten met zich mee. Het ontwikkeltraject kost tijd en vraagt om vele onderzoeken, ruimtelijke procedures, overleg met omwonenden en andere belanghebbenden. Dan zijn er nog de bouwkosten van het windpark, de aanschaf van de windturbines, de netinpassing en de kosten van beheer en onderhoud als het windpark eenmaal draait. Tegelijkertijd levert een windpark ook opbrengsten op.

Opbrengsten van een project

Tijdens de exploitatie van een windparkt zijn er inkomsten in de vorm van de verkoop van stroom, groencertificaten (GVO’s) en SDE+-subsidie.

Bijkomende effecten van een nieuw windpark zijn werkgelegenheid en een bijdrage aan de lokale economie. Als het windpark in bezit is van een lokale energiecoöperatie, vloeit (een deel van) de opbrengst terug naar de omgeving.

Bekijk de Tabel inkomsten en uitgaven van windprojecten.

Subsidie van de overheid

De subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) is een subsidie waarmee de overheid duurzame energie wil stimuleren. Omdat de productiekosten van 1 kWh windenergie hoger zijn dan de productiekosten van 1 kWh grijze stroom subsidieert de overheid het verschil via de SDE+.

Door het financieren van de zogenaamde 'onrendabele top' wordt het voor initiatiefnemers interessant om te investeren in de ontwikkeling van windmolens. De regeling richt zich op bedrijven en (non-profit)instellingen. Een windproject kan de subsidie pas aanvragen als de vereiste vergunningen voor het windpark zijn verleend.

Let wel: alleen de geproduceerde elektriciteit wordt gesubsidieerd. De investeringen waarmee de ontwikkeling van een windpark gepaard gaan, komen voor rekening van de initiatiefnemer.

Elektriciteitsopbrengst

Een windturbine zet energie uit de wind om in elektriciteit. Hoeveel elektriciteit een windturbine in een jaar produceert, hangt af van de windsnelheid en de afmetingen van de windturbine.

Hoe hoger de windturbine en hoe groter de rotordiameter, hoe meer elektriciteit de turbine oplevert. De technologie van turbines ontwikkelt zich nog steeds, zodat een windturbine steeds meer elektriciteit kan opwekken.

De hoeveelheid elektriciteit die een windturbine produceert, neemt toe met de windsnelheid. Deze samenhang is niet evenredig. Bij lage windsnelheden vanaf ongeveer 3 meter per seconde begint de turbine te draaien en stroom op te leveren. Bij ongeveer 10 tot 15 meter per seconde (windkracht 6) werken de meeste turbines op vol vermogen. Ze leveren dan de maximale hoeveelheid stroom per seconde. Bij hogere windsnelheden blijft het vermogen op dit niveau (vollast). Bij windsnelheden boven de 25 meter per seconde (windkracht 10) wordt de windturbine stilgezet om overbelasting te voorkomen.

Nederland heeft in vergelijking met andere Europese landen een zeer goed windklimaat. Het KNMI maakte voor de SDE+ een kaart met de gemiddelde windsnelheden in Nederland op 100 meter hoogte. Gemiddeld waait het aan de kust harder dan in het binnenland.

De Windviewer geeft voor elke locatie in Nederland op elke hoogte van 20 tot en met 260 meter de gemiddelde windsnelheid weer. Deze windsnelheid is gebaseerd op de KNMI winddata over de periode 2004-2013.

Gemeentelijke inkomsten en uitgaven

Naast de bijdrage aan het klimaatbeleid van gemeenten, zijn windturbines ook een bron van inkomsten voor de gemeentelijke begroting. Net als bij elk bouwproject int de gemeente bouwleges voor de bouw van windturbines. De leges bedragen eenmalig ongeveer 1,5% van de bouwsom en verschillen van gemeente tot gemeente.

Daarnaast ontvangt de gemeente jaarlijks onroerendezaakbelasting (OZB) voor windmolens. De OZB bedraagt gemiddeld 0,09% van de waarde van de turbine. De totale gemeentelijke inkomsten voor een 3 MW windmolen over een periode van 15 jaar kunnen dan uitkomen op ruim € 110.000.

Kosten van windparken

De gemeente maakt ook kosten om in te spelen op de plaatsing van windmolens. Te denken valt aan beleidsvoorbereiding, de ruimtelijke procedure, juridische kosten en vergunning- en omgevingsmanagement. Deze zaken zijn lastig in het algemeen te becijferen en verschillen sterk per project.

Kostenverhaal

Decentrale overheden regelen het kostenverhaal met de initiatiefnemers via een anterieure overeenkomst. Naast financiële aspecten staan in deze overeenkomst ook afspraken over onderlinge verantwoordelijkheden. De partijen maken daarin afspraken over de manier van samenwerken en communicatie over het project. Daarnaast is het mogelijk om daarmee de bovenplanse verevening te regelen. Dit moet wel zijn gekoppeld aan een concrete gebiedsontwikkeling en passen binnen de structuurvisie.

Financiële participatie

De afgelopen jaren is een trend waarneembaar in het ontwikkelen van windprojecten. Steeds meer overheden stellen voorwaarden op het gebied van participatie en vrijwel alle ontwikkelaars beantwoorden daaraan. De NWEA Gedragscode uit 2013 stelt voorwaarden aan financiële betrokkenheid van inwoners bij een windproject.

Financieel deelnemen aan een windproject kan op vele manieren, variërend van een aandeel in het eigendom van een windpark tot een fonds voor lokale duurzame projecten. Het organiseren van financiële participatie is altijd lokaal maatwerk, afhankelijk van het project en de lokale context.

Participatie via de ontwikkelaar

In de NWEA Gedragscode hebben ontwikkelaars afgesproken een richtbedrag van € 0,40 tot € 0,50 per opgewekte MWh af te dragen aan de omgeving. Dit kan op verschillende manieren:

  • Fondsvorming: de exploitant van een windpark draagt een deel van de opbrengsten van het windpark af aan een lokaal fonds. Vanuit het fonds worden investeringen gedaan in lokale, duurzame initiatieven in de omgeving. Bestedingsdoelen en aanpak worden in samenspraak met de ontwikkelaar, de gemeente en omwonenden bepaald.
  • Individueel: omwonenden investeren in het windpark door obligaties te kopen waarvoor ontwikkelaars vervolgens een jaarlijkse rente uitkeren.
  • Andere mogelijkheden: de NWEA Gedragscode geeft een aantal voorbeelden van andere vormen van participatie, zoals een korting op de energierekening van omwonenden of deelname via een coöperatie. In overleg met de ontwikkelaar kunnen ook andere manieren van participatie vormgegeven worden.
Vaak wordt er via een aantal concentrische ringen rond het windpark nog geografisch onderscheid gemaakt. Zodoende kunnen extra afspraken worden gemaakt met mensen die binnen een beperkte afstand van het geplande windpark wonen en daarmee mogelijk de meeste verandering in hun leefomgeving kunnen ervaren.

Gedeeld eigendom

Inwoners kunnen op verschillende manieren mede-eigenaar worden van een windpark:

  • Met projectontwikkelaar gedeeld eigendom: de ontwikkelaar neemt het voortouw in het project en neemt de belangrijkste beslissingen. Omwonenden hebben een minderheidsaandeel en beperkt zeggenschap, maar genieten wel dezelfde winstdeling of dividenden over dat aandeel.
  • Met financier gedeeld eigendom: de investering van een windproject bestaat doorgaans voor 10 - 20% uit eigen vermogen. Het benodigde resterende kapitaal wordt gefinancierd met vreemd vermogen, veelal uit de bankensector. Omwonenden kunnen dit inleggen en zo een deel van de aandelen krijgen. Op die manier kunnen ze meebeslissen over hoe het windpark ontwikkeld moet worden en wat er met de winst gebeurt. Dit kan bijvoorbeeld via Durfkapitalist, Crowdfunding en REScoop.

Door in de voorfase van het project financieel te participeren, wanneer nog niet alle benodigde planprocedures zijn doorlopen en/of vergunningen zijn verkregen, kan het grootste rendement worden bereikt. Daarmee zijn ook de financiële risico’s het grootst.

Volledig eigendom

Een windpark kan ook volledig door een lokale partij, bijvoorbeeld een energiecoöperatie, worden ontwikkeld. De leden van de coöperatie beslissen over hoe het windpark wordt ontwikkeld en wat er met de winst gebeurt.

Enkele voorbeelden van coöperatieve (wind)projecten vindt u in onze Initiatievendatabase.

Klimaatakkoord

In gebieden met mogelijkheden en ambities voor windenergie gaan omgeving en marktpartijen gelijkwaardig samenwerken aan de ontwikkeling, bouw en exploitatie van windprojecten. Dit vergroot de slagingskans van het project en daarmee de energietransitie.

Een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied is het ideaal. Burgers en lokale bedrijven  moeten minimaal 50% van de windproductie in eigendom hebben. Dit is het streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier om lokale projectgerelateerde redenen van af te wijken. Hierbij is aandacht voor de bijzondere positie van waterschappen. Deze hebben in hun rol als lokale ontwikkelaar en decentrale overheid een verduurzamingsopgave voor hun eigen bedrijfsprocessen.

Voorfinancieringskosten

Voorfinancieringskosten kunnen een belangrijke hindernis zijn voor financiële deelname van energiecoöperaties. EZK leverde hiervoor een bijdrage. Onderzoek van InvestNL, ODE, IPO en VNG moet duidelijk maken of provincies en gemeenten kunnen faciliteren dat autonome energiecoöperaties een beroep kunnen doen op een regeling. Daarmee kunnen onderzoeken en projectondersteuning worden gefinancierd. Dit is nodig voor een succesvolle vergunningaanvraag. Het gaat hier uitdrukkelijk niet om vermogensfinanciering van het project. Bij een financial close van het project worden deze middelen teruggestort. Hiermee is een revolverend fonds in het leven geroepen.

Ook zal onderzocht worden of de leges die verbonden zijn aan het project pas bij de financial close in rekening gebracht kunnen worden. Dit kan ook als het project wordt gestaakt.

Woningwaarde en planschade

Woningwaarde

Windturbines kunnen effect hebben op de waarde van woningen in de omgeving. Door de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) is in 2019 een eerder uitgevoerd onderzoek uit 2016 geactualiseerd. Hierbij keek men ook naar woningprijzen bij zonneparken. In de praktijk verschilt de waardedaling van locatie tot locatie. Onder andere de afstand tot, de grootte van en het zicht op de turbine zijn hierbij bepalend.

Planschade

Wanneer woningeigenaren vermoeden dat de komst van windturbines tot een lagere woningwaarde leidt, kunnen zij bij de gemeente een procedure voor planschade starten. De zogenaamde planschaderegeling voorziet in een tegemoetkoming voor geleden schade, waarbij een eigen risico van 2% geldt. De planschaderegeling is te lezen in artikelen 6.1 tot en met 6.3 van de Wet Ruimtelijke ordening.

Bent u tevreden over deze pagina?

Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *