Beleid over laagcalorisch gas (G-gas)

Lees op deze pagina wat het beleid is omtrent de transitie van G-gas naar een andere samenstelling en het aantal stappen die genomen zijn.

Beleid over transitie van G-gas

Het beleid omtrent de transitie van G-gas naar een ander samenstelling omvat een aantal stappen die genomen zijn:
  1. Het maximum aan hogere koolwaterstoffen in de samenstelling van laagcalorisch gas uitgedrukt in propaanequivalent (PE) is in 2012 vastgelegd in een ministeriële regeling (MR). Deze legt de huidige samenstelling van G-gas en dus het huidige veiligheidsniveau voor gebruikers vast. Dit maximum ligt nu vast op 5% PE.
  2. Het ministerie van Economische Zaken (EZ) heeft met de gasnetbeheerders afgesproken dat de samenstellingsbandbreedte van het G-gas ten minste de komende tien jaar (tot na 2021) niet zal veranderen. Energy Delta Gas Research (EDGaR) heeft in opdracht van EZ onderzocht is of deze tienjaarstermijn verlengd kan worden. Begin 2013 is het onderzoeksrapport ‘Transitiestudie G-gas’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit onderzoek maakt aannemelijk dat de periode waarin de gassamenstelling van het laagcalorisch gas onveranderd kan blijven, onder voorwaarden, verlengd kan worden tot ten minste 2030.
  3. Na een consultatie met de markt is de nieuwe G-gassamenstelling voor in de periode na 2021 (of later) vastgesteld in een Kamerbrief gassamenstelling van de minister van EZ (maart 2012). Hierdoor kunnen de toestellenbranche, de gebruikers en de netwerkbedrijven maatregelen treffen voor een veilige en efficiënte transitie. Verschillende stakeholders in de branche hebben i.s.m. NEN en KIWA een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor G+-gas (Gasgroep K) afgesproken, NEN – NTA 8837, waarin o.a. testgassen en testdrukken zijn vastgelegd die gebruikt kunnen worden om de conformiteit met de Gastoestellenrichtlijn (GAD) aan te tonen van toestellen die op de markt worden gebracht met het doel geschikt te zijn voor de bovengenoemde toekomstige gassamenstelling. Tevens is de toestelcategorie voor Gasgroep K vastgesteld. Ook is een achtergronddocument over de NEN - NTA 8837 opgesteld.
  4. Vanaf 2018 moeten alle nieuw te verkopen toestellen geschikt zijn voor het huidige en nieuwe G-gas, maar ook H-gas aankunnen. Gelet op de landen om ons heen is voor de hoog-calorische stand de toestelcategorie I2,E geëist. Dit is een bestaande toestelcategorie die de breedste Wobbe-band van het H-gas aankan.
  5. Zodra de normen van kracht worden, begint de vervangingsmarkt te lopen. Indien nieuwe apparatuur wordt aangeschaft kan deze de toekomstige gassamenstellingen aan. Een aanzienlijk deel van de huidige toestellen (die de –zakelijke- consument nu in gebruik heeft danwel op de markt beschikbaar zijn) zal bruikbaar blijven bij een vergroting van de bandbreedte van het laagcalorische gas. Een deel van de huidige toestellen zal echter niet geschikt zijn voor een veranderende gassamenstelling. De invulling van de transitie naar de nieuwe G-gassamenstelling en problemen die zich voor zouden kunnen doen, dient later nader uitgewerkt te worden.
  6. Op termijn kan het, eveneens vanuit maatschappelijke kosten, verstandig zijn om (regionaal) om te schakelen van laagcalorisch gas (G-gas) op hoogcalorisch gas. De overheid heeft een studie laten uitvoeren welke eisen t.a.v. het hoogcalorische gas gesteld moeten worden voor de zakelijke en consumententoestellen die onder de Gastoestellenrichtlijn (GAD) vallen. Bij het kiezen van de breedte van de Wobbe-index van de gasdistributie dient ervoor gezorgd te worden dat restricties in gastoevoer zo klein mogelijk zijn, terwijl de veiligheid en betrouwbaarheid gewaarborgd blijven en dat bij de laagste (maatschappelijke kosten). Uit de studie blijkt dat in andere landen een bandbreedte van 4-5 MJ/m3 gedistribueerd wordt en dat de toestellen van toestelcategorie I2,E dit aankunnen. Dit komt overeen met de verwachte bandbreedte van de toekomstige geïmporteerde H-gassen: 51-55,7 MJ/m3. Dit geeft de range aan die een toekomstbestendige keuze is, met een optimum tussen gastoestelprestatie en de te verwachten gastoevoer.
  7. Door energiebesparing en verduurzaming zal het gasgebruik in de toekomst met name voor lage-temperatuurverwarming bij consumenten gaan afnemen. In hoeverre een overstap naar H-gas kostentechnisch en maatschappelijk wenselijk is, is onderzocht in de studie van DNV-GL Alternatives for dealing with limited G-gas supply post 2030. Hierin worden de kosten van een transitie naar hoogcalorisch gas op het netwerk dat nu laagcalorisch gas distribueert, berekend. Onderdeel van de kosten zijn netwerkaanpassingen en het aanpassen, omschakelen of vervangen van bestaande aardgasapparatuur. Deze kosten van ombouw naar H-gas worden vergeleken met die voor het handhaven van G-gas op de lange termijn. Bij deze tweede optie kan extra G-gas gemaakt worden door het conditioneren van H-gas met stikstof via de bestaande conversiestations of door het bijmengen met lucht op lokaal niveau. Dit laatste blijkt geen bewezen technologie en afhankelijk van de infrastructurele uitwerking gevoelig voor uitval. Geconcludeerd is dat ombouw naar H-gas de duurste optie is. DNV GL adviseert om door te gaan met het distribueren van G-gas en het tekort aan G-gas op te vangen met het conditioneren m.b.v. de bestaande conversiestations. Doordat de verduurzamingsambitie van het Ministerie van Economische Zaken verder gaat met het terugbrengen van de aardgasvraag dan in de studie is aangenomen, zal het G-gas-tekort waarschijnlijk nog kleiner zijn en de optie van de conditionering met stikstof nog kostenefficiënter worden.
  8. Opgemerkt moet worden, dat de ontwikkeling van de productie en vraag van aardgas in de toekomst onzekerheden kent. Door de toestellen met een H-gas-stand als no-regret-optie uit te rusten is omschakeling mogelijk en zijn de toestellen in alle opzichten toekomstbestendig.

Service menu right