Houd focus

Beperk het aantal disciplines, houd het behapbaar

Op het snijvlak van disciplines slaan onderzoekers uit verschillende vakgebieden vaak de handen ineen als het één discipline niet lukt om bepaalde vragen te beantwoorden. Het betrekken van zoveel mogelijk disciplines met interdisciplinariteit als motief, blijkt in de praktijk echter niet succesvol. Het beantwoorden van de vraagstelling dient de drijfveer te zijn voor samenwerking.

Succesvolle cross-overs

Pieter Hooimeijer, professor Sociale Geografie en Demografie aan de Universiteit Utrecht en voorzitter van de Sociaal Wetenschappelijke Raad van de KNAW, stelt dat een zinvolle combinatie van twee of drie disciplines vaak tot goede resultaten leidt: ‘Maak het niet te breed. Probeer niet als doel op zich om disciplines te verenigen die sterk van elkaar verschillen. De meeste successen boeken onderzoekers door het slim combineren van enkele disciplines om een verschijnsel te verklaren dat de afzonderlijke vakgebieden niet begrijpen. Er is een woud van geslaagde cross-overs tussen twee of drie disciplines. Denk bijvoorbeeld aan sociale psychologie dat een cross-over is van psychologie en sociologie en aan geobiologie dat zich richt op het snijvlak tussen geologie en biologie. Goede praktijkvoorbeelden waarin tien verschillende disciplines samenwerken, zijn mij onbekend. Succesvol onderzoek vergt namelijk veel diepgang; enorme breedte combineren met diepgang, dat is niet meer te behappen. Het proces wordt dan onbeheersbaar.’

Systeembenadering stimuleert zinvolle multidisciplinaire aanpak

De systeembenadering blijkt wetenschappelijk geschikt om disciplines bij elkaar te brengen. Hooimeijer licht toe: ‘Een metafoor die de meerwaarde van de systeembenadering treffend illustreert, afkomstig van psychiater Runyan W.M. (1984), is de rivier. Het water is natuurwetenschappelijk te begrijpen, het stroomt van het hoogste naar het laagste punt door de zwaartekracht. Wetenschappelijk inzicht in het landschap is eveneens voorhanden. Om de rivier echt te kunnen begrijpen, moet de onderzoeker echter de interactie tussen het water en het landschap bestuderen. Op sommige plekken is er weinig verval en ontstaat een meer, op andere plekken is er veel verval en ontstaat een waterval. De dynamiek van de rivier is enorm. Deze ontstaat door twee processen die ieder op zich langzaam verlopen en ieder op zich gekend kunnen worden. Het is echter de combinatie van kennis van beide processen en de interactie ertussen die het benodigde inzicht oplevert.

Het individu en de context

In de psychologie en psychiatrie heeft de systeembenadering het inzicht geboden dat het in sommige gevallen zinvol is om mensen in een andere omgeving te brengen: de context beïnvloedt in wisselwerking met het individu het gedrag. Zodoende ontstond een cross-over tussen de sociologie en de psychologie. De vraag die oorspronkelijk werd gesteld, luidde: begrijp ik het individu? De nieuwe vraag luidde: begrijp ik het gedrag van het individu? Sociale psychologen voeren experimenten uit waarbij het individu constant is en de omgeving wijzigt. Neuropsychologen doen precies het tegenovergestelde: zij houden de omgeving constant en wisselen de individuen. Twee systemen werden met elkaar gekoppeld, het individu en de context. Begrip van de interactie van het individu met de omgeving leidde tot nieuwe inzichten.

Ook bij het bestuderen van technologieontwikkeling is de systeembenadering effectief. Het gaat bij innovatieprocessen immers om de interactie tussen ‘agent and structure’ in netwerken. Wetenschappers boeken dan ook veel vooruitgang op dit terrein. Ongeacht de discipline, zorgt de systeembenadering voor een andere vraagstelling, die per definitie een multidisciplinair karakter heeft. De systeembenadering dwingt de onderzoeker om op een andere manier te kijken. En om juist die disciplines er bij te betrekken, die nodig zijn om de gestelde vragen op een zinvolle manier te beantwoorden.’

Referentie metafoor rivier: Runyan W.M. (1984). The life course as a theoretical orientation. In: W.M. Runyan (ed.) Life histories and psychobiography. New York: Oxford University Press pp. 81-99.

Service menu right