Service menu right

Bepalingsmethode energielabel woningen

Heeft u een energielabel aangevraagd voor uw woning? Dan vindt er een berekening plaats om het juiste energielabel te bepalen. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangrijkste bouwkundige en installatietechnische gegevens van uw woning.

Nieuwe rekenmethode per 2015

Bij de ontwikkeling van het nieuwe energielabel per 2015 is een bewuste (beleids)keuze gemaakt voor een eenvoudige en toegankelijke methode die:

  • zo goed mogelijk aansluit bij het kennisniveau van woningeigenaren;
  • aansluit bij het merendeel van de situaties die in Nederlandse woningen voorkomen;
  • de kosten voor het opstellen van het label beperkt houdt.

Zelf een energielabel aanvragen

De nieuwe methode is zo ontwikkeld dat woningeigenaren zelf een label kunnen aanvragen door een aantal relatief eenvoudige vragen te beantwoorden. Deze antwoorden worden getoetst door een erkend deskundige. Voor de toetsing is een bezoek aan de woning is niet meer nodig; dit kan op afstand gebeuren.

Rekenmethodiek Definitief Energielabel

De Rekenmethodiek Definitief Energielabel beschrijft welke invoer nodig is om het officiële energielabel van een woning te bepalen. De methodiek is gebaseerd op de volgende onderliggende normen en documenten:

  • NEN 7120 inclusief de correctiebladen C1 t/m C4
  • NEN 8088-1 inclusief de correctiebladen C1 en C2
  • NEN 1068:2012 inclusief het correctieblad C1
  • Nader Voorschrift van 10 februari 2014 en de meest recente erratalijst

Hoe wordt het energielabel bepaald?

Standaard woningtypen en afmetingen

In de rekenmethodiek zijn standaard woningtypen en afmetingen opgenomen. Deze afmetingen zijn gebaseerd op de meest voorkomende situaties in Nederlandse woningen en geven een goede indruk van de Nederlandse woningen.

Het grote voordeel van het werken met standaard woningen is dat het voor de aanvrager van het energielabel niet nodig is om de hele woning op te meten. De ervaring leert dat de spreiding in woningafmetingen en vormen in Nederland niet heel groot is. Daarom is een rubricering in woningtype (vrijstaand/twee onder een kap/hoekwoning etcetera) en bouwjaarperiode voldoende om verschillen tussen woningen weer te geven.

Verschillende bouwjaarklassen

Binnen de energielabelmethodiek zijn de woningtypen (vrijstaand/rijwoning/etcetera) nader onderverdeeld in 10 verschillende bouwjaarklassen. Aan deze bouwjaarklassen hangen belangrijke uitgangspunten voor het energielabel.

U kunt zich voorstellen dat een vooroorlogse woning in de oorspronkelijke situatie een heel ander isolatieniveau heeft dan een woning uit 1990. In de energielabelmethodiek wordt dit verschil meegenomen. Een niet-nageïsoleerde woning uit 1938 heeft hierdoor een slechtere isolatiewaarde dan een niet-nageïsoleerde woning uit 1980.

Ook de mate waarin het technisch mogelijk is om de woning, met traditionele technieken, na te isoleren, verschilt per bouwjaarperiode. Hier wordt in het energielabel rekening mee gehouden. Alleen voor de situatie waarin een woning uitzonderlijk goed geïsoleerd is (meer dan 12 centimeter isolatie), is de isolatiekwaliteit voor alle bouwjaarperioden gelijkgetrokken in het energielabel.

Verwarming woning

Voor de verwarming van een woning zijn de meest voorkomende situaties in de methodiek opgenomen. Voor CV-ketels wordt een onderscheid gemaakt tussen ketels die vóór en ketels die in of ná 1998 zijn geplaatst. De achterliggende gedachte is dat het installatiejaar van de ketel vaak makkelijker te achterhalen is dan het exacte type. Voor ketels die in of na 1998 zijn geplaatst, wordt een beter rendement aangehouden dan voor ketels die daarvoor zijn geplaatst.

Ventilatiesystemen

Voor ventilatiesystemen geldt eveneens dat de meest voorkomende situaties (afhankelijk van het bouwjaar van de woning) in de methode zijn opgenomen.

Duurzame energie

De aanwezigheid van zonneboilers (voor tapwater) en PV-panelen (om elektriciteit mee te maken) is eveneens van invloed op het energielabel. Bij zonneboilers wordt in de methodiek gerekend met een standaard systeem dat voor tapwater wordt gebruikt.

Bij PV-panelen blijkt in de praktijk dat het aantal m²  per woning zeer sterk kan verschillen. Daarom moet voor de PV-panelen aangegeven worden hoeveel m² aanwezig is.

Het energielabel wordt bepaald door bovenstaande maatregelen door te rekenen voor het betreffende woningtype. Hierdoor is het niet mogelijk om te zeggen met welke maatregelen de woning wel/niet een labelsprong maakt: dat hangt af van de uitgangssituatie van de woning en hoe ‘ver’ de woning in de labelklasse zit.

In de webapplicatie kunt u aan de positie van het streepje in de labelklasse zien hoe ver de woning in de labelklasse zit (hoog/midden/laag). Zie de figuur, waarin de woning ‘midden’ in labelklasse D zit. Het kan zijn dat het treffen van een maatregel bij deze woning niet voldoende is om over te stappen naar label C, maar in de figuur is dan wel te zien dat het streepje verschuift (binnen de D-klasse) in de richting van de C-klasse.

Labelklassen energielabel