Hernieuwbare energie| RVO.nl

Service menu right

Beoordelingscriteria Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

01-04-2021

Welke projecten komen in aanmerking voor subsidie Hernieuwbare Energietransitie. Lees alles over de doorlooptijd, criteria en afwijzingsgronden.

Wij beoordelen de binnengekomen aanvragen voor subsidie Hernieuwbare Energietransitie op volgorde van binnenkomst. Wanneer uw aanvraag compleet is, is de beoordelingstermijn 8 weken, met een mogelijke eenmalige verlenging van 8 weken.

De subsidieregeling HER+ is open van 1 april 2021, 09:00 uur tot en met 31 maart 2022, 17:00 uur. Budget is € 50 miljoen.

Bronnen van hernieuwbare energie

Hernieuwbare energiebronnen die in aanmerking komen zijn:

  • energie uit water (waterkracht, aquathermie, osmose)
  • zonne-energie
  • windenergie, geothermische (bodem)
  • verbranding en vergassing biomassa
  • vergisting biomassa

Bij de HER+ zijn er naast hernieuwbare energiebronnen categorieën bijgekomen die kostenverlaging van CO2-vermindering stimuleren. Bijvoorbeeld voor CO2-afvang en -opslag (CCS), bepaalde vormen van waterstofproductie en restwarmte benutting.

In het rekenmodel basisbedragen staan alle relevante categorieën uit de SDE++ waar u uit kunt kiezen. Download het model op de HER+-pagina van mijnrvo.nl.

Technology Readiness Level (TRL)

De regeling Hernieuwbare Energietransitie richt zich in het bijzonder op ontwikkeling en demonstratie. Dit zijn Technology Readiness Levels (TRL) 6 tot en met 8. Projecten met werkpakketten gericht op TRL 4 of 5 sluiten we daarbij niet uit.

Projecten die binnen de doelstellingen passen

Binnen de regeling Hernieuwbare Energietransitie komen de volgende projecten in aanmerking:

  1. Projecten die de productie van hernieuwbare energie voor een kalenderjaar goedkoper maken. Deze technieken staan in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie (de SDE++-aanwijsregeling), hierna: SDE++-technieken.
  2. Projecten die de productie van windenergie op zee goedkoper maken.
  3. Projecten die de opwekking en opslag van duurzame energie combineren.
  4. Projecten die de opwekking en slimme regeling (smart grids) van duurzame energie op decentraal niveau combineren.
  5. Projecten die hernieuwbare energie-opties betreffen niet in de SDE++ zitten én waarop additionele productie haalbaar kan zijn door innovatie. Dit betreft de opties zonnewarmte, kleinschalige (<15 kWp) of niet aan het net gekoppelde zon PV-systemen, ondiepe bodemenergie (<500m) en buitenluchtwarmte (de laatste twee gebruiken warmtepompen als techniek).
Opties 3. tot en met 5. noemen we hierna 'Overige CO2-verminderingsopties'.
 

Bij optie 1. Voorwaarden regeling bij SDE++-technieken.

Innovatieprojecten voor een SDE++-techniek moeten in 2030 leiden tot CO2-vermindering. Dit mogen ook projecten zijn die hiervan zijn afgeleid (spin-off’s). De innovatie op van de SDE++-techniek moet een besparing opleveren op de SDE++-uitgaven. Deze besparing moet groter zijn dan de subsidie die u krijgt uit de HER+-subsidieregeling. Het huidige basisbedrag voor deze SDE++-techniek moet lager uitkomen dan het maximale basisbedrag genoemd in de SDE++ en lager dan € 300 per vermeden ton CO2.

De hoogte van die basisbedragen vindt u in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie. Deze basisbedragen gebruiken we ook in de rekenmodellen voor de besparing. Wij stellen de modellen beschikbaar op mijnrvo.nl.

Bij optie 2. Voorwaarden bij windenergie op zee-projecten

Innovatieprojecten die zich richten op windenergie op zee moeten in 2030 leiden tot CO2-vermindering. Dit mogen ook spin-off’s van projecten zijn. De innovatie moet leiden tot kostenvoordelen die groter zijn dan de subsidie die u ontvangt volgens de HER+-subsidieregeling. Het gaat hier om de bouw en exploitatie van windparken in territoriale wateren en de exclusieve Nederlandse economische zone.

Voor wind-op-zeeprojecten geldt het kostenmodel van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor windenergie op zee. Dit model is uitgangspunt bij de berekening van de kostenvoordelen. Dit is exclusief de kosten van de netaansluiting op het elektriciteitsnet op land. Ook eventuele betalingen aan de Staat als uitkomst van een veiling vallen hier buiten.

Bij optie 3. en 4. en 5. Voorwaarden bij overige CO2-verminderingsopties

Voor de hierboven genoemde overige CO2-verminderingsopties (dit hoeven dus geen SDE++-categorieën te zijn) geldt dat projecten of spin-offs ervan besparen op de toekomstige SDE++-uitgaven. De innovatie moet in 2030 leiden tot additionele CO2-vermindering. Dat wil zeggen aanvullende hernieuwbare energieproductie. Reden is dat de aanvullende hernieuwbare energieproductie de (extra) inzet van de duurste SDE++-technieken helpt te voorkomen. Aanvullende hernieuwbare energieproductie kan ontstaan als er sprake is van:

  • bredere toepassingsmogelijkheden (de techniek komt binnen bereik van andere doelgroepen in de markt);
  • een aantoonbare vergroting van de mogelijkheid om CO2 te verminderen. Dat is mogelijk als op decentraal niveau de grenzen zijn bereikt van inpassing in het net; en/of
  • schaalsprong in de techniek die bij een normale uitontwikkeling niet is te verwachten. Bijvoorbeeld in de effectiviteit van een warmtepomp.

De innovatie moet een besparing opleveren op de SDE++-uitgaven. Deze besparing moet groter zijn dan de subsidie die u volgens de subsidiemodule HER+ voor de innovatie ontvangt. De overheid moet minder betalen dan voor eenzelfde vermindering van CO2 via de SDE++. Het maximale bedrag van een SDE++-techniek is het basisbedrag van € 300/ton CO2.

Onderbouwing kostenbesparing

Voor alle projecten geldt dat u de verwachte kostenbesparing moet onderbouwen met een berekening. Daarvoor stellen wij rekenmodellen beschikbaar. Deze staan op mijnrvo.nl.

PBL berekent de basisbedragen voor het kalenderjaar waarin de subsidiemodule HER+ opent. Deze bedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van het verwachte verlaagde basisbedrag van een SDE++-techniek.

Voor de besparing op de SDE++-uitgaven tellen niet alleen kostenbesparingen door het project zelf mee. Besparingen in spin-off-projecten, herhalingsprojecten en kostenverminderingen bereikt voor 2030 en doorlopen na 2030 tellen mee. De gehele looptijd van de SDE++-subsidie telt dus mee. Net als eerder voor innovatie verstrekte subsidies uit de SDE++-middelen.

Voor wind-op-zeeprojecten maakte PBL ook een kostenmodel. Hiermee berekenen we de kostenvoordelen voor windenergie op zee.

Alle projecten moeten voldoende inzicht bieden in de resultaten van vooronderzoek. Het vooronderzoek toont de technische haalbaarheid aan van de voorgestelde innovatie. Het onderbouwt de claims die in het projectplan doet over de werking van de techniek. De kwaliteit van het project blijkt uit de uitwerking van de aanpak en methodiek.

Onderbouwing slaagkans

Het is belangrijk dat het projectplan inzicht geeft in de businesscase. Zowel voor de producent of techniekontwikkelaar als voor de eindgebruiker. De slaagkans van de innovatie in de markt verbetert daardoor.

Als aanvrager van deze subsidieregeling heeft u een strategische visie op het uitvoeringstraject. U geeft inzicht in de ontwikkeling en marketing van de technologie. Dit geldt voor de fase nadat u het project heeft afgerond tot aan de introductie op de markt. U moet rekening houden met de niet-technologische aspecten die bij marktintroductie een rol spelen. Het projectplan moet aantonen dat u ook hierover heeft nagedacht. Waar mogelijk en waar nodig moet u activiteiten in het projectplan opnemen om hiermee om te gaan.

Projecten die niet passen in de regeling

Demonstratieprojecten die met het toepasselijke steunkader (de algemene groepsvrijstellingsverordening) niet in aanmerking komen voor subsidie zijn:

  • Projecten die het ontwerp en de vervaardiging van milieuvriendelijke producten, machines of vervoermiddelen betreffen; het gaat om de gebruiker van milieuvriendelijke producten. Demonstratieprojecten die de werking aantonen van productiemachines voor milieuvriendelijke producten komen dus niet in aanmerking voor subsidie;
  • Projecten waarbij de subsidieontvanger niet direct een milieuvoordeel behaalt voor zijn onderneming. Het milieuvoordeel zit in de (productie)keten. Milieu-investeringssteun wordt gegeven om het uit eigen activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen. De overheid mag alleen milieu-investeringssteun inzetten voor de ondernemer die milieuvoordeel behaalt met eigen activiteiten. Dat moet gebeuren binnen de looptijd van het project. Dat wil zeggen: uiterlijk bij ingebruikname van de installatie. De aanvrager van de subsidie is en blijf als investeerder eigenaar van hetgeen waarin hij/zij investeert.
  • Projecten waarin uw onderneming investeringen uitvoert om te voldoen aan vastgestelde maar nog niet in werking getreden 'Unienormen'.
  • Projecten voor CO2-afvang, -opslag en -hergebruik. Inclusief projecten voor 'blauwe waterstof'.
  • Demonstratieprojecten die groter zijn dan nodig om de werking van een innovatie in de praktijk aan te tonen.
Daarnaast passen de volgende projecten (ook pilot en demonstratie) niet binnen de deze subsidieregeling:
  • Projecten voor biobrandstoffen die onder de bijmengverplichting vallen. Dit ligt vast in het Besluit en de Regeling hernieuwbare energie vervoer. Dit geldt ook voor bio-LNG-projecten.
  • Projecten die zich richten op de tijdelijke opslag of permanente opslag van CO2 op land.

Specifieke afwijzingsgronden

Wanneer wijzen wij uw aanvraag af? De algemene afwijzingsgronden voor alle subsidieaanvragen energie-innovatie gelden bij de beoordeling. Daarnaast gelden de bijzondere afwijzingsgronden voor de regeling Hernieuwbare Energietransitie.

Bijzondere afwijzingsgronden

  • U maakt niet aannemelijk dat het project leidt tot CO2-reductie in 2030. U bespaart daarmee niet op de uitgaven aan subsidies voor het Besluit tot stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie. Deze besparing moet groter zijn dan de aangevraagde subsidie.
    Of in het geval uw project voor windenergie op zee is, u niet aannemelijk maakt dat de kostenvoordelen groter zijn dan de aangevraagde subsidie. Dit moet blijken uit een berekening.
  • De kwaliteit van het project is onvoldoende. Dat blijkt uit:
    • de uitwerking van aanpak en methodiek
    • de omgang met risico’s
    • de uitvoerbaarheid
    • de deelnemende partijen
    • de mate waarin u het beschikbare geld effectief en efficiënt inzet
  • Het project voorziet onvoldoende in een kwalitatief goede kennisverspreiding.
  • Er is al eerder subsidie gegeven voor een ander soortgelijk project.
  • De samenwerking is onvoldoende evenwichtig. Dat blijkt uit bijvoorbeeld de verdeling van de kosten. Het moet om daadwerkelijke samenwerking gaan.

Bent u tevreden over deze pagina?

Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *
Mogen wij u benaderen voor een gebruikersonderzoek?
De komende tijd zoeken wij testers voor het nieuwe ontwerp van onze website. Wij zijn benieuwd naar uw mening en gaan graag met u in gesprek. Een online interview duurt maximaal 45 minuten.