Service menu right

Voorwaarden bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift

Op de milieulijst staan verschillende bedrijfsmiddelen omschreven.

Zo is er een verdeling gemaakt tussen 'bedrijfsmiddelen met een middelvoorschrift' en 'bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift'.

Doel- en middelvoorschriften

Bij de meeste bedrijfsmiddelen op de Milieulijst staat een exacte beschrijving van doel, middel en werking. Deze 'bedrijfsmiddelen met een middelvoorschrift' staan in het eerste deel van de Milieulijst (paragraaf 2a).

Hiernaast zijn er 'bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift'. Deze staan in het tweede deel van de Milieulijst (paragraaf 2b). Hierbij staat alleen het te behalen doel omschreven: de te leveren prestatie is richtinggevend. Een exacte technisch beperkende omschrijving is met opzet achterwege gelaten. Dit geeft u meer keuzevrijheid bij het investeren in een milieuvriendelijker bedrijfsmiddel. Bovendien geeft deze werkwijze meer ruimte aan innovatie, want ook voor nieuwe ideeën is direct fiscale ondersteuning mogelijk.

Zoek in onze digitale tool van de Milieulijst of in de Brochure en Milieulijst 2020.

Controle melding en vooraf advies

Voor de bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift gelden enkele aanvullende voorwaarden. Bij de controle van een melding van een bedrijfsmiddel met een doelvoorschrift toetsen we of aan de voorwaarden is voldaan. Wilt u vooraf advies over de mogelijkheden binnen een doelvoorschriftcode op de Milieulijst? Maak dan gebruik van dit contactformulier.

Komt een bedrijfsmiddel met een doelvoorschrift naar aard, gebruik en toepassing overeen met een in paragraaf 2a omschreven bedrijfsmiddel met middelvoorschrift? Dan kunt u dit bedrijfsmiddel niet melden als bedrijfsmiddel met een doelvoorschrift.

Aanvullende voorwaarden doelschriftcodes

Er zijn aanvullende eisen die voor alle bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift gelden. Deze staan in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, artikel 2 lid 101 en artikel 36 lid 5). Wilt u meer weten over de AGVV? Ga dan naar Officiële bekendmakingen - MIA\Vamil.

De belangrijkste eis is dat met het bedrijfsmiddel een aanzienlijk betere milieuprestatie wordt behaald dan wat gangbaar is in de branche. Een bedrijfsmiddel met een doelvoorschrift moet gericht zijn op milieubescherming in Nederland. Hieronder vindt u een toelichting op de meest belangrijke artikelen uit de steunkaders.

Minimaal milieuvoordeel

Het niveau van milieubescherming van bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift is het hoogst mogelijke niveau dat in een gemiddeld en financieel gezond bedrijf in de betreffende branche met succes wordt bereikt. Dit niveau ligt minimaal hoger dan het niveau dat is voorgeschreven vanuit het bevoegd gezag of dat verplicht is vanuit de Nederlandse wet- en regelgeving. In paragraaf 2b van de Aanwijzingsregeling onder 7 is daarnaast nog opgenomen dat de investering in een bedrijfsmiddel met een doelvoorschrift een aanmerkelijk milieuvoordeel oplevert in relatie tot het investeringsbedrag. Er moet dus sprake zijn van een flinke verbetering voor het milieu ten opzichte van wat gangbaar is.

Referentie-investering

Om te bepalen of er sprake is van een aanmerkelijk milieuvoordeel ten opzichte van wat gangbaar is, moet de te beoordelen investering afgezet worden tegen een referentie-investering.

De referentie moet technisch vergelijkbaar zijn. Een vergelijkbare investering is een investering met dezelfde productiecapaciteit en alle overige technische kenmerken (met uitzondering van die kenmerken die rechtstreeks betrekking hebben op de extra investering voor de verhoging van het niveau van milieubescherming). Een dergelijke referentie-investering moet, uit zakelijk oogpunt, een geloofwaardig alternatief zijn voor de te beoordelen investering. Als er geen referentie-investering is die aan de genoemde voorwaarden voldoet, is steun niet toegestaan*.

Wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een referentie-investering. Dit betreft bedrijfsmiddelen die geen ander doel dienen dan milieubescherming. Voorbeelden zijn end-of- pipe technieken, procesonderdelen die niet noodzakelijk zijn voor het proces zelf en bedrijfsmiddelen die volstrekt nieuw zijn en volledig gericht zijn op milieubescherming.

Terugverdientijd

MIA\Vamil-steun is bedoeld om u tegemoet te komen wanneer u kiest voor een duurder milieuvriendelijk alternatief waardoor u meer kosten maakt dan iemand die in een gangbare techniek investeert. Wanneer u echter een investering doet die zich snel terugverdient, heeft u deze steun doorgaans niet nodig. Daarom is voor een aantal bedrijfsmiddelen een minimale terugverdientijd van 3 of 5 jaar als eis opgenomen. Te denken valt aan investeringen in vermindering van water- of grondstofverbruik (zoals code F 1200) en in recycling (zoals code A 1400).

Uitgesloten investeringen

De volgende investeringen in bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift komen niet in aanmerking voor de MIA\Vamil als ze (primair) gericht zijn op:
  • bosbouw, energie, visserij of aquacultuur;
  • landbouw (met uitzondering van investeringen in de bedrijfsmiddelen A 0001, F 1100, A 1400 en F 1406);
  • energiebesparing, brandstofproductie, duurzame energie of andere energievoorzieningen en energietoepassingen (tenzij in de omschrijving van het bedrijfsmiddel het produceren van brandstoffen expliciet wordt genoemd);
  • besparing op grondstoffen in de vorm van brandstoffen of mest;
  • een gebouw of andere voorziening voor het beschermen van apparatuur tegen weersinvloeden;
  • automatisering met als doel arbeidskosten te besparen.

Kosten die in aanmerking komen

Twee criteria zijn bepalend voor de vraag welke kosten in aanmerking komen:

  1. Welke onderdelen van de investering komen volgens de (code)omschrijving in aanmerking en wat zijn de kosten daarvan?
    De omschrijving in de Milieulijst stelt voor de meeste bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift dat elke (aanpassing van) apparatuur in aanmerking komt die technisch noodzakelijk is voor het bereiken van het milieuvoordeel.
     
  2. Wat is de maximale steun die u vanuit de MIA\Vamil mag ontvangen?
    De hoeveelheid steun die u vanuit de MIA en Vamil mag ontvangen, is afhankelijk van de hoogte van de in aanmerking komende kosten. De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten ten opzichte van een investering in een bedrijfsmiddel met een voor Nederland gangbare milieuprestatie (= referentie-investering).

    Hiervoor geldt dat doorgaans maximaal 40% van de meerkosten ten opzichte van de referentie-investering door MIA/Vamil mag worden ondersteund (AGVV artikel 36 lid 6). Voor investeringen in recycling en hergebruik van afval dat door andere ondernemingen is geproduceerd, is dit vastgesteld op 35% (AGVV artikel 47 lid 8). De grootte van de onderneming speelt ook een rol bij het bepalen van het maximale steunpercentage (zie ook paragraaf 2b punt 10 van de Milieulijst).

    Daarnaast is het van belang dat u binnen de grenzen van de staatssteun blijft. Onder de AGVV bedraagt de maximale staatssteun € 7.500.000 per investeringsproject (artikel 4, lid 1c) of 15 miljoen euro (artikel 4, lid 1s), afhankelijk van het type investeringsproject.

Voorbeeldberekening

Uitgangspunten:  

  • De installatie voldoet aan de inhoudelijke eisen van de omschrijving van code A 1400 in de Milieulijst 2020.
  • De kosten van de installatie bedragen € 200.000.
  • De kosten van de referentie-investering bedragen € 150.000.
  • De investering heeft betrekking op recycling en hergebruik van door andere ondernemingen geproduceerd afval (hiervoor is bepaald dat maximaal 35% van de meerkosten in aanmerking komt). 
  • Het berekende netto fiscaal voordeel bij een A-code bedraagt naar schatting 3% voor de Vamil. Voor de MIA geldt een aftrekpercentage van 27%. Bij een nominaal belastingtarief van 25% geeft dit een totaal netto voordeel van 9,75%, zijnde € 19.500*.
    Dat is meer dan de toegestane 35% van de in aanmerking komende kosten (€ 17.500). Het in aanmerking komend investeringsbedrag wordt dan zodanig afgetopt, dat het fiscaal voordeel € 17.500 bedraagt.
  • De belastingplichtige is een grote onderneming.
Berekeningstabel met bovenstaande uitgangspunten  
Totale investering€ 200.000
Referentie-investering€ 150.000
Bijkomende investeringskosten     € 50.000
Berekend netto fiscaal voordeel (= € 200.000 x 0,0975)€ 19.500
Maximaal toegestaan netto fiscaal voordeel (= € 50.000 x 0,35)€ 17.500
Maximaal te melden investeringsbedrag (= € 17.500 / € 19.500 x € 200.000)€ 179.487


U kunt gebruikmaken van een rekensheet (xls) die het maximaal in aanmerking komende bedrag berekent op basis van de maximale steun voor het meldjaar 2019. Voor het meldjaar 2020 publiceren we deze rekensheet later op deze site.
         
Voor de berekening van de terugverdientijd zijn er 3 variabelen:

  1. De bijkomende investeringskosten (investeringskosten minus de kosten voor de referentie-investering);
  2. De extra jaarlijkse operationele lasten (niet zijnde financieringslasten/afschrijving) ten opzichte van de referentie*;
  3. De extra jaarlijkse operationele baten ten opzichte van de referentie.

*De extra jaarlijkse operationele lasten worden vaak onderschat (zowel bij aankoop als in gebruik). Voorbeelden van hogere kosten zijn onderzoek, opleiding, testverliezen en kinderziektes/opstartproblemen. Ook kosten om klanten te overtuigen van de betrouwbaarheid en certificatiekosten vallen hieronder. Bij een terugverdientijd van 5 jaar geldt dan het volgende: de bijkomende investeringskosten) plus 5 maal de extra operationele lasten minus 5 maal de extra operationele baten moeten meer dan 0 bedragen. 

Bent u tevreden over deze pagina?

Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *
Als wij vragen hebben over uw toelichting, mogen wij dan contact met u opnemen?
Mogen wij u benaderen voor een gebruikersonderzoek?
De komende tijd zoeken wij testers voor het nieuwe ontwerp van onze website. Wij zijn benieuwd naar uw mening en gaan graag met u in gesprek. Een online interview duurt maximaal 45 minuten.