Service menu right

Biomassa SDE++

Gesloten

De subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) ondersteunt de productie van energie uit biomassa. U kunt subsidie aanvragen voor allesvergisting, monomestvergisting, verbranding (thermische conversie), slibvergisting bij rioolwaterzuivering (RWZI) en compostering van champost.

Vergisting

De afbakening tussen covergisting, allesvergisting en vergisting van uitsluitend dierlijke mest (monomestvergisting) is vervaagd. Dat blijkt uit verschillende analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de toename van mestgebruik. Vanaf 2019 is er daarom geen aparte categorie covergisting in de SDE+ of de SDE++. Een aanvraag voor covergisting doet u binnen de categorie Allesvergisting.

Allesvergisting

In de vergistingscategorie ‘Allesvergisting’ kunt u een subsidieaanvraag indienen voor bijna alle typen biomassa. Dit is inclusief covergisting van mest voor de productie van warmte, elektriciteit en warmte (WKK) of hernieuwbaar gas. Voorwaarde is dat de biogasopbrengst van de ingaande biomassastroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt. Voor elektriciteit en warmte (WKK) bepaalt u het nominaal vermogen door het elektrisch en het thermisch vermogen bij elkaar op te tellen.

Monomestvergisting

Monomestvergisting is voor de productie van warmte, elektriciteit en warmte (WKK) of hernieuwbaar gas. De input mag uitsluitend uit dierlijke mest bestaan en geen coproducten bevatten. Voor monomestvergisting zijn er 2 vermogenscategorieën, namelijk:

  • ≤ 400 kW en
  • > 400 kW.

Voor elektriciteit en warmte (WKK) bepaalt u het nominaal vermogen door het elektrisch en het thermisch vermogen bij elkaar op te tellen.

Rioolwaterzuivering (RWZI)

De SDE++ steunt Rioolwaterzuivering (RWZI) verbeterde of bestaande slibvergisting voor de productie van hernieuwbare warmte of elektriciteit in een RWZI. Het gaat niet om een specifieke techniek. Daardoor zijn er meer mogelijkheden om innovatieve technieken toe te passen. RWZI’s zijn bovendien zeer verschillend qua grootte en type installatie. Voor een SDE++-aanvraag toont u aan dat u de bestaande biogasproductie met minimaal 25% kunt verhogen. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas moeten nieuw zijn.

Verbranding

Als eindproducten worden hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit gesubsidieerd. Voor 7 categorieën ‘Verbranding van biomassa’ kunt u SDE++-subsidie aanvragen. We maken onderscheid op basis van de volgende vermogens en soorten biomassa die u inzet:

  • Ketel op vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 0,5 MWth en ≤ 100 MWe.
  • Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 5 MWth waarvoor de warmtestaffel van toepassing is.
  • Ketel op B-hout met een vermogen ≥ 5 MWth.
  • Stoomketel op duurzame houtpellets met een minimumvermogen van ≥ 5 MWth.
  • Brander op duurzame houtpellets voor industriële toepassingen, met een vermogen ≥ 5 MWth (bij deze categorie mogen bestaande onderdelen worden gebruikt). Hierbij geldt een bovengrens van 100 MW elektrisch.
  • Grote ketel op duurzame houtpellets voor de gebouwde omgeving met een vermogen ≥ 10 MWth.
  • Verlengde levensduur voor ketels op vaste of vloeibare biomassa met een minimumvermogen van 5 MWth die eerder SDE hebben ontvangen.

Warmte of WKK

Voor alle 7 categorieën is het toegestaan zowel warmte als elektriciteit op te wekken. Het basisbedrag en het correctiebedrag is berekend om warmte te leveren. Als u elektriciteit wilt produceren, mag u gebruikmaken van een bestaande stoomturbine. De regeling garanties van oorsprong  en certificaten van oorsprong stelt dat warmte die gebruikt wordt voor elektriciteitsopwekking, niet mag worden aangemerkt als ‘nuttig aangewende warmte’. Door zowel elektriciteit als de overige ‘nuttig aangewende warmte’ in aanmerking te nemen, kan de juiste hoeveelheid subsidie worden verstrekt. Voor deze categorieën stellen we daarom ook geen eisen meer aan het elektrisch rendement van de installatie.

Ketel op vloeibare biomassa ≥ 0,5 MWth

U kunt voor de categorie ‘Ketel op vloeibare biomassa ≥ 0,5 MWth’ een subsidieaanvraag indienen voor een productie-installatie waarvoor u eerder SDE+-subsidie hebt gekregen. Het blijkt dat er installaties zijn, die door gewijzigde omstandigheden meer vollasturen kunnen draaien dan voorheen mogelijk bleek. In het basisbedrag voor dit type installatie houden we geen rekening met de kostprijs van een ketel. Dit leidt dus niet tot overstimulering. Daarnaast moet u in elk productiejaar de eerdere beschikking volledig benutten voordat u subsidie op de latere beschikking krijgt uitgekeerd. Jaarlijks toont u de duurzaamheid van de vloeibare biomassa aan met een rapportage.

Installatie op duurzame houtpellets

Voor de categorieën ‘Installatie op duurzame houtpellets’ hoeft u niet alleen pellets uit vers hout te gebruiken. U mag ook maximaal 15% pellets uit A-hout en 25% reststromen uit bioraffinage toepassen. B-hout (hout afkomstig van sloop) is niet toegestaan. De looptijd van de subsidie is 12 jaar. Om in aanmerking te komen voor SDE++-subsidie, toont u jaarlijks de duurzaamheid van de gebruikte biomassa aan.

Brandstofeisen

Voor de meeste ketels is B-hout uitgesloten. Bij de berekening van het basisbedrag van deze installaties houden we dan ook rekening met de hogere prijs die u voor schoon hout moet betalen.
Voor de ‘Ketel op B-hout’ is de berekening van het basisbedrag juist wel gebaseerd op de lagere kostprijs die u voor B-hout betaalt. Hierdoor is het basisbedrag voor deze ketel lager. In de ‘Ketel op B-hout’ mag u ook andere biomassa gebruiken.
Heeft u een aanvraag gedaan in een categorie die specifiek voor duurzame houtpellets als brandstof is opgezet? Dan mag u maximaal 15% van de energieproductie opwekken met houtpellets van A-hout en maximaal 25% met reststromen uit raffinage van biomassa. In de SDE++ verstaan we onder bioraffinage een proces waarbij het hoofdproduct een fossiele grondstof verdringt. Daarom voldoet bijvoorbeeld lignine uit papierindustrie niet. Anders is het met lignine die vrijkomt bij de productie van suikers uit hout. Als hierbij uit de suikers bioplastics worden gemaakt, gaat het wél om een reststroom uit bioraffinage.

Maakt u gebruik van een van de volgende technieken: ‘Ketel op vaste of vloeibare biomassa’, ‘Stoomketel op houtpellets’, ‘Ketel op B-hout’, ‘Verlengde levensduur voor ketel op vaste of vloeibare biomassa’ en ‘Ketel op houtpellets voor stadsverwarming’? Dan moet ten minste 95% van de energetische waarde van de gebruikte brandstof biogeen zijn. Want daarmee sluit u uit dat het gaat om verbranding van afval of geselecteerde stromen uit afval of meestook van aardgas. In alle installaties voor de verbranding van biomassa mag u ook vloeibare biomassa inzetten. Toon hiervan wel de duurzaamheid aan.

Duurzaamheidseisen

De biomassa die u inzet moet aan duurzaamheidseisen voldoen. Er gelden aparte eisen voor vaste biomassa en voor vloeibare biomassa.

Vaste biomassa

Voor vaste biomassa gelden er duurzaamheidseisen voor de volgende categorieën:

  • Stoomketel ≥ 5 MW op houtpellets
  • Brander op houtpellets voor industriële toepassingen ≥ 5 MWth en ≤ 100 MWe
  • Ketel op houtpellets voor ≥ 10 MWth voor gebouwde omgeving (stadsverwarming)

De duurzaamheidseisen zijn dan van toepassing op alle soorten biomassa. Het kan bijvoorbeeld gaan om houtige biomassa, residuen uit de agrarische sector en biomassa afkomstig van bioraffinage.

De certificatie, verificatie en handhaving van de duurzaamheidseisen van de vaste biomassa zijn verankerd in de Wet milieubeheer. Per 1 januari 2019 is de algemene maatregel van bestuur (AMvB) onder de Wet milieubeheer in werking getreden. In opdracht van de producent moet een zogeheten conformiteitbeoordelingsinstantie de conformiteitsjaarverklaring overleggen. Hiermee toont de producent aan dat over het gehele jaar aan de duurzaamheidseisen is voldaan.

U leest hier meer over op de pagina Duurzaamheidseisen vaste biomassa.

Vloeibare biomassa

Voor vloeibare biomassa gelden er duurzaamheidseisen wanneer u deze biomassa inzet voor alle categorieën waarbij u biomassa verbrandt. De duurzaamheidseisen van vloeibare biomassa zijn verankerd in de Renewable Energy Directive (RED).
Jaarlijks toont u de duurzaamheid van de vloeibare biomassa aan met een rapportage. Het format en de bijbehorende handleiding voor deze rapportage vindt u onder ‘downloads’.

Compostering (Champost)

Nieuw in de SDE++ is de categorie ‘Compostering van champost’. Champost is een afvalstroom die vrijkomt bij de teelt van champignons. Bij compostering van champost komt veel laagwaardige warmte vrij. De laagwaardige warmte kan gebruikt worden voor verwarming van gebouwen of glastuinbouwkassen. In deze categorie mag u alleen champost inzetten omdat niet vaststaat dat compostering van andere stromen ook een onrendabele top heeft.

Vergunningen

Meestal heeft u voor een biomassa-installatie 1 of meer vergunningen nodig. Deze moeten afgegeven zijn door een bevoegd gezag op het moment dat u uw subsidieaanvraag indient. Het kan om de volgende vergunningen gaan:

  • Omgevingsvergunning. Heeft u voor uw biomassa-installatie een vergunning nodig vanwege de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)? Dan stuurt u zowel de verleende vergunning als de vergunningsaanvraag mee met uw subsidieaanvraag. Let op: een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) is ook een vergunning.
  • Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de SDE++ 2020 bent u verplicht een Wnb-vergunning bij uw aanvraag mee te sturen, als dit van toepassing is. De vergunning of ontheffing op basis van de Wnb blijkt een steeds belangrijkere voorwaarde om hernieuwbare energieprojecten tijdig te realiseren. Dit geldt voor projecten met substantiële stikstofuitstoot in de exploitatiefase, zoals biomassaprojecten.

Wilt u meer weten over een omgevingsvergunning, ga dan naar de website van het Omgevingsloket.

ETS

Nieuw in de SDE is de bepaling rond het ETS (Emission Trading System). Profiteert u van het ETS door ingebruikname van de installatie? Dan wordt dit ETS-voordeel gecorrigeerd met het correctiebedrag. Deze situatie kan gedurende de productieperiode wijzigen. De regeling biedt de mogelijkheid om dit gedurende de productieperiode aan te passen.

Garanties van Oorsprong (GvO)

Garanties van oorsprong (GVO’s) worden afgegeven door Vertogas en CertiQ. Voor hernieuwbaar gas geldt dat het aanmelden en certificeren via Vertogas verplicht is. Voor hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is de route van aanmelden en certificeren via CertiQ verplicht.

Meer weten?

Veelgestelde vragen

Bent u tevreden over deze pagina?

Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *
U kunt via dit formulier geen vragen aan ons stellen. Heeft u een vraag? Ga dan naar www.rvo.nl/contact en neem contact met ons op via telefoon, e-mail of social media.
Als wij vragen hebben over uw toelichting, mogen wij dan contact met u opnemen?
Mogen wij u benaderen voor een gebruikersonderzoek?
De komende tijd zoeken wij testers voor het nieuwe ontwerp van onze website. Wij zijn benieuwd naar uw mening en gaan graag met u in gesprek. Een online interview duurt maximaal 45 minuten.