Service menu right

Goede landbouw- en milieuconditie GLMC

Om landbouwgronden, bossen en landschapselementen in goede conditie te houden zijn er richtlijnen. Deze noemen we de richtlijnen Goede landbouw- en milieuconditie (GLMC). Er zijn 7 richtlijnen voor GLMC. Deze sluiten allemaal aan bij andere GLB-randvoorwaarden. Hieronder zijn alle richtlijnen en de randvoorwaarde waar ze op aansluiten beschreven. Het nummer van de randvoorwaarde verwijst naar het Overzicht randvoorwaarden GLB 2020.

GLMC 1: Bufferstroken langs waterlopen

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarde 1.15 Mestvrije zone.
Het is verboden om meststoffen te gebruiken in de bemestingsvrije zone en de teeltvrije zone. Er zit wel een verschil in het verbod tussen de beide zones. Teeltvrije zones zijn stroken waarop u geen gewasbeschermingsmiddelen mag gebruiken. De bemestingsregels voor bemestingsvrije zones sluiten aan op de regelgeving voor teeltvrije zones. Bemestingsvrije zones zijn 0,25 tot 5 meter breed. De verschillende bemestingsvrije zones zijn beschreven in artikel 3.85 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Teeltvrije zones bij waterlopen gelden in het hele land. Nederland heeft ongeveer 2.000 kilometer grond langs ecologisch kwetsbare waterlopen in de hogere delen van het land aangewezen als bemestingsvrije zones. Dit is om te voorkomen dat meststoffen naar de waterlopen worden afgevoerd. De specifieke locatie vindt u in bijlage I van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

GLMC 2: Vergunning voor bevloeien met water

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarde 14.1 Bevloeien.
U mag niet zonder vergunning landbouwgrond bevloeien met water, als een vergunning hiervoor verplicht is.

GLMC 3: Bescherming van grondwater

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarde 14.2 Lozen vloeistoffen.
U mag geen afvalwater of andere stoffen lozen in of op de bodem.

GLMC 4: Minimale bodembedekking

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarde 14.3 Minimale bodembedekking braakpercelen.
U bent verplicht om een groenbemester in te zaaien op een perceel dat uit productie is genomen als u het in aanmerking wilt laten komen voor GLB-subsidies. U zaait de groenbemester in voor 31 mei. U mag die niet vernietigen voor 31 augustus.

Groenbemesters zijn:

  • mengsels van grassen
  • Phacelia
  • spurrie
  • vlinderbloemigen, met uitzondering van bonen en erwten
  • kruisbloemigen, met uitzondering van koolzaad
  • afrikaantjes (Tagetes)
  • Solanum sisymbriifolium

Ook zijn in mengsels van één of meer groenbemesters toegestaan:

  • tweezaadlobbige cultuurgewassen in een dichtheid per gewas van ten hoogste 10% van de zaaizaadhoeveelheid die u gebruikt bij de gangbare teelt van het gewas, of
  • eenzaadlobbige cultuurgewassen, met uitzondering van mais, in een dichtheid van maximaal 7 kg per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kg per hectare in totaal, of
  • akkerkruiden zoals aangemerkt in de Standaardlijst van de Nederlandse Flora (van der Meijden, 1990), met uitzondering van:
    • duist
    • grote windhalm
    • oot
    • melganzevoet
    • knolcyperus
    • hanepoot
    • kweek
    • kleefkruid
    • akkermunt
    • veenwortel
    • perzikkruid
    • klein kruiskruid

Met ingang van 2019 is in bijlage 4, onderdeel B van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, een uitzondering gemaakt. Deze geldt voor uit productie genomen grond, waarvoor een contract voor agrarisch natuurbeheer loopt. In zo'n overeenkomst kan het namelijk voorgeschreven zijn om op die percelen andere vegetatie te laten ontstaan om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit. In die gevallen is een groenbedekking van deze andere vegetatie voldoende.

GLMC 5: Erosie tegengaan

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarden 14.4 Voorkomen erosie: Fruitteelt helling 2% of meer, 14.5 Voorkomen erosie: Verplichte maatregelen en 14.6 Voorkomen erosie: Aanvullende maatregelen.
De maatregelen om erosie tegen te gaan staan in bijlage 4, paragraaf 4 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Fruitteelt is bijvoorbeeld alleen toegestaan op een perceel met een hellingspercentage van 2% of meer als u aan bepaalde voorschriften voldoet. U vindt de voorschriften hiervoor in paragraaf 4C van de uitvoeringsregeling.

Om erosie te voorkomen zijn de volgende maatregelen verplicht:

  • diepte grondbewerking
  • trekkersporen wissen
  • perceel met hellingspercentage van 18% of meer uitsluitend gebruiken als grasland

Daarnaast neemt u de volgende aanvullende maatregelen voor percelen met een hellingspercentage van 2% of meer en een hellingslengte van 50 meter of meer:

  • ondiep ploegen
  • mulchsyteem toepassen
  • maatregelen en buffervoorziening melden

GLMC 6: Behoud organisch stofgehalte in bodem

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarde 14.7 Stoppelbeheer. U mag na de oogst geen gewasresten op bouwland verbranden, tenzij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hiervoor toestemming heeft gegeven, om fytosanitaire redenen. Daarnaast heeft u een vergunning van het college van burgemeester en wethouders.

GLMC 7: Landschapselementen en snoeiverbod

Deze richtlijn sluit aan bij randvoorwaarden 14.8 Instandhouden landschapselementen en 14.9 Snoeiverbod.

Voor het in stand houden van landschapselementen heeft u te maken met regels voor vellen zonder kennisgeving, herplantplicht en het kapverbod. Dit valt onder de Wet natuurbescherming.

U mag geen heggen en bomen snoeien in de broedperiode van 15 maart tot en met 15 juli. Ook buiten deze periode is snoeien niet toegestaan als vogels nog broeden. De broedperiode is de periode waarin een vogel eieren legt, ze uitbroedt en de jongen grootbrengt tot ze vliegvlug zijn. De meeste broedperiodes vallen binnen de periode van 15 maart tot en met 15 juli. Lees meer over de broedperiodes per vogelsoort op de website van de Werkgroep Vrijwillig Landschapsbeheer Den Helder.

Bent u tevreden over deze pagina?

Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *