Open voor aanvragen

Beoordelingscriteria Hernieuwbare Energietransitie (HER+)

Gepubliceerd op:
21 juni 2017
Laatst gecontroleerd op:
1 april 2021

Wilt u de subsidie Hernieuwbare Energietransitie (HER+) aanvragen? Op deze pagina leest u welke projecten in aanmerking komen.

Lees alles over de voorwaarden, criteria en afwijzingsgronden.

Bronnen van hernieuwbare energie

Hernieuwbare (duurzame) energiebronnen die in aanmerking komen zijn:

  • energie uit water (waterkracht, aquathermie, osmose);
  • zonne-energie;
  • windenergie, geothermisch (bodem);
  • verbranding en vergassing van biomassa;
  • vergisting van biomassa.

Bij de HER+ zijn er naast innovatieprojecten met hernieuwbare energiebronnen categorieën bijgekomen die kostenverlaging van CO2-vermindering stimuleren. Bijvoorbeeld voor CO2-afvang en -opslag (CCS), bepaalde vormen van waterstofproductie en de benutting van restwarmte. We volgen hierbij de categorieën van de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++).

In het rekenmodel basisbedragen staan alle relevante categorieën uit de SDE++ waar u uit kunt kiezen. Download het model op de HER+-pagina van de online aanvraagpagina.

Technology Readiness Level (TRL)

De regeling Hernieuwbare Energietransitie richt zich in het bijzonder op ontwikkeling en demonstratie van innovaties. Dit zijn Technology Readiness Levels (TRL) 6 tot en met 8. Projecten met werkpakketten gericht op TRL 4 of 5 sluiten we daarbij niet uit.

Binnen de regeling Hernieuwbare Energietransitie komen de volgende projecten in aanmerking:

  1. Projecten die de productie van hernieuwbare energie voor een kalenderjaar goedkoper maken. Deze technieken staan in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie (SDE++), hierna: SDE++-technieken.
  2. Projecten die de productie van windenergie op zee goedkoper maken.
  3. Projecten die de opwekking en opslag van duurzame energie combineren.
  4. Projecten die de opwekking en slimme regeling (smart grids) van duurzame energie op decentraal niveau combineren.
  5. Projecten voor hernieuwbare energie die niet in de SDE++ zitten én waarop aanvullende productie haalbaar is door innovatie. Dit zijn zonnewarmte, kleinschalige (<15 kWp) of:
    - niet aan het net gekoppelde zonnepaneelsystemen;
    - ondiepe bodemenergie (<500m) en;
    - buitenluchtwarmte (de laatste 2 gebruiken warmtepompen als techniek)

Opties 3. tot en met 5. noemen we hierna 'Overige CO2-verminderingsopties'.

 

Bij optie 1: voorwaarden bij SDE++-technieken.

Innovatieprojecten voor een SDE++-techniek moeten in 2030 leiden tot CO2-vermindering. Dit mogen ook projecten zijn die hiervan zijn afgeleid (spin-off’s). De innovatie van de SDE++-techniek moet een besparing opleveren op de SDE++-uitgaven. Deze besparing moet groter zijn dan de subsidie die u krijgt uit de HER+-subsidieregeling. Het basisbedrag voor deze SDE++-techniek moet lager uitkomen dan het maximale basisbedrag voor dezelfde techniek uit de SDE++ en lager dan € 300 per vermeden ton CO2.

De hoogte van die basisbedragen vindt u in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproducti (SDE++). Deze basisbedragen gebruiken we ook in de rekenmodellen voor de besparing. Wij stellen de modellen beschikbaar op de online aanvraagpagina.

Bij optie 2: voorwaarden bij windenergie-op-zee-projecten

Innovatieprojecten die zich richten op windenergie op zee moeten in 2030 leiden tot CO2-vermindering. Dit mogen ook spin-off’s van projecten zijn. De innovatie moet leiden tot kostenvoordelen. Die moeten groter zijn dan de subsidie die u ontvangt volgens de HER+-subsidieregeling. Het gaat hier om de bouw en exploitatie van windparken in territoriale wateren en de exclusieve Nederlandse economische zone.

Voor wind-op-zee-projecten geldt het kostenmodel van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor windenergie op zee. Dit model is het uitgangspunt bij de berekening van de kostenvoordelen. Dit is exclusief de kosten van de netaansluiting op het elektriciteitsnet op land. Ook eventuele betalingen aan de Staat als uitkomst van een veiling vallen hier buiten.

Bij optie 3, 4 en 5: voorwaarden bij overige CO2-verminderingsopties

Voor de overige CO2-verminderingsopties geldt dat projecten of spin-offs ervan besparen op de toekomstige SDE++-uitgaven. Deze besparing moet groter zijn dan de subsidie die u volgens de subsidiemodule HER+ voor de innovatie ontvangt. Deze projecten hoeven dus geen SDE++-categorieën te zijn. De overheid moet minder betalen dan voor eenzelfde vermindering van CO2 via de SDE++. Het maximale bedrag van een SDE++-techniek is het basisbedrag van € 300/ton CO2.

De innovatie moet in 2030 leiden tot extra CO2-vermindering. Dat wil hier zeggen: aanvullende hernieuwbare energieproductie. De reden hiervoor is dat de aanvullende hernieuwbare energieproductie de (extra) inzet van de duurste SDE++-technieken helpt te voorkomen. Aanvullende hernieuwbare energieproductie kan ontstaan als er sprake is van:

  • bredere toepassingsmogelijkheden van de techniek (de techniek komt binnen bereik van andere doelgroepen in de markt);
  • een aantoonbare vergroting van de mogelijkheid om CO2 te verminderen. Dat is mogelijk als op decentraal niveau de grenzen zijn bereikt van inpassing in het net;
  • schaalsprong in de techniek die bij een normale uitontwikkeling van een techniek niet te verwachten is. Bijvoorbeeld in de effectiviteit van een warmtepomp.

Onderbouwing kostenbesparing

Voor alle projecten geldt dat u de verwachte kostenbesparing moet onderbouwen met een berekening. Daarvoor stellen wij rekenmodellen beschikbaar. Deze staan op de online aanvraagpagina.

PBL berekent de basisbedragen voor het kalenderjaar waarin de HER+ opent. Deze bedragen zijn het uitgangspunt voor de berekening van het verwachte verlaagde basisbedrag van een SDE++-techniek.

Voor de besparing op de SDE++-uitgaven tellen niet alleen kostenbesparingen door het project zelf mee. Besparingen in spin-off-projecten, herhalingsprojecten en kostenverminderingen bereikt voor 2030 en doorlopend na 2030 tellen ook mee. De gehele looptijd van de SDE++-subsidie telt dus mee. Net als eerder voor innovatie verstrekte subsidies uit de SDE++-middelen.

Voor wind-op-zee-projecten maakt PBL ook een kostenmodel. Hiermee berekenen we de kostenvoordelen voor windenergie op zee.

Alle projecten moeten voldoende inzicht bieden in de resultaten van vooronderzoek. Het vooronderzoek toont de technische haalbaarheid aan van de voorgestelde innovatie. Het onderbouwt de uitspraken die u in het projectplan doet over de werking van de techniek. De kwaliteit van het project blijkt uit de uitwerking van de aanpak en methodiek.

Onderbouwing slaagkans

Het is belangrijk dat het projectplan inzicht geeft in de businesscase. Zowel voor de producent of techniekontwikkelaar als voor de eindgebruiker. De slaagkans van de innovatie in de markt verbetert daardoor.

Als aanvrager van deze subsidieregeling heeft u een strategische visie op het uitvoeringstraject. U geeft inzicht in de ontwikkeling en marketing van de technologie. Dit geldt voor de fase nadat u het project heeft afgerond, tot aan de introductie op de markt. U moet rekening houden met de niet-technologische aspecten die bij marktintroductie een rol spelen. Het projectplan moet aantonen dat u ook hierover heeft nagedacht. Waar mogelijk en waar nodig moet u activiteiten in het projectplan opnemen om hiermee om te gaan.

Projecten die niet passen in de regeling

Demonstratieprojecten die met het toepasselijke steunkader (de algemene groepsvrijstellingsverordening) niet in aanmerking komen voor subsidie zijn:

  • Projecten gericht op het ontwerp en de vervaardiging van milieuvriendelijke producten, machines of vervoermiddelen; het gaat om de gebruiker van milieuvriendelijke producten. Demonstratieprojecten die de werking aantonen van productiemachines voor milieuvriendelijke producten komen dus niet in aanmerking voor subsidie;
  • Projecten waarbij de subsidieontvanger niet direct een milieuvoordeel behaalt voor zijn onderneming. Het milieuvoordeel zit in de (productie)keten. Milieu-investeringssteun wordt gegeven om het uit eigen activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen. De overheid mag alleen milieu-investeringssteun inzetten voor de ondernemer die milieuvoordeel behaalt met eigen activiteiten. Dat moet gebeuren binnen de looptijd van het project. Dat wil zeggen: uiterlijk bij ingebruikname van de installatie. U, als aanvrager van de subsidie, bent en blijft als investeerder eigenaar van hetgeen waarin u investeert.
  • Projecten waarin uw onderneming investeringen uitvoert om te voldoen aan vastgestelde maar nog niet in werking getreden 'Unienormen'.
  • Projecten voor CO2-afvang, -opslag en -hergebruik. Inclusief projecten voor 'blauwe waterstof'.
  • Demonstratieprojecten die groter zijn dan nodig om de werking van een innovatie in de praktijk aan te tonen.

Daarnaast passen de volgende projecten (ook pilot en demonstratie) niet binnen de deze subsidieregeling:

  • Projecten voor biobrandstoffen die onder de bijmengverplichting vallen. Dit ligt vast in het Besluit en de Regeling hernieuwbare energie vervoer. Dit geldt ook voor bio-LNG-projecten.
  • Projecten die zich richten op de tijdelijke opslag of permanente opslag van CO2 op land.

Specifieke afwijzingsgronden

Wanneer wijzen wij uw aanvraag af? Hiervoor gelden de algemene afwijzingsgronden voor alle subsidieaanvragen energie-innovatie. Daarnaast gelden er specifieke afwijzingsgronden voor de  HER+:

  • U maakt niet aannemelijk dat het project leidt tot CO2-reductie in 2030. U bespaart daarmee niet op de uitgaven aan subsidies voor het Besluit tot stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie. Deze besparing moet groter zijn dan de aangevraagde subsidie.
  • Bij een project voor windenergie op zee: u maakt niet aannemelijk dat de kostenvoordelen groter zijn dan de aangevraagde subsidie. Dit moet blijken uit een berekening.
  • De kwaliteit van het project is onvoldoende. Dat blijkt uit:
    •  de uitwerking van aanpak en methodiek;
    • de omgang met risico’s;
    • de uitvoerbaarheid;
    • de deelnemende partijen;
    • de mate waarin u het beschikbare geld effectief en efficiënt inzet.
  • Het project voorziet onvoldoende in een kwalitatief goede kennisverspreiding.
  • Er is al eerder subsidie gegeven voor een soortgelijk project.
  • De samenwerking is onvoldoende evenwichtig. Dat blijkt uit bijvoorbeeld de verdeling van de kosten. Het moet om daadwerkelijke samenwerking gaan.

Vragen over Hernieuwbare Energie?

Neem contact met ons op
 

Bent u tevreden over deze pagina?