Eisen aan bedrijfsmiddelen met doelvoorschrift

Voorwaarden aan bedrijfsmiddelen met doelvoorschrift

Een overzicht van de bedrijfsmiddelen en aanvullende voorwaarden voor bedrijfsmiddelen met een doelvoorschrift staan in Paragraaf 2b van de algemene bepalingen en de Milieulijst 2018 (pdf) pag 90. Ze staan hieronder toegelicht:

  • Eisen genoemd in de steunkaders (AGVV).
    Er zijn aanvullende eisen die voor alle bedrijfsmiddelen met doelvoorschrift gelden. Deze staan in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, artikel 2, 36 en 47). De belangrijkste eis is een aanzienlijk betere milieuprestatie wordt behaald dan wat gangbaar is in de branche. Een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift moet gericht zijn op milieubescherming in Nederland.
    Zie hieronder voor een toelichting op de meest relevante artikelen uit de steunkaders.
     
  • Minimaal milieuvoordeel
    Het niveau van milieubescherming van bedrijfsmiddelen met doelvoorschrift is het hoogst mogelijke, dat in een gemiddeld en financieel gezond bedrijf van de betreffende branche met succes wordt bereikt, en ligt ten minste hoger dan voorgeschreven vanuit bevoegd gezag of verplicht vanuit de Nederlandse wet- en regelgeving. In paragraaf 2b van de Aanwijzingsregeling onder 6 is daarnaast nog opgenomen dat de investering in een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift een aanmerkelijk milieuvoordeel behaalt in relatie tot het investeringsbedrag. Er moet dus sprake zijn van een flinke verbetering voor het milieu ten opzichte van wat gangbaar is.
     
  • Uitgesloten sectoren
    Een investering in een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift die landbouw, bosbouw, energie, visserij of aquacultuur betreft komt niet in aanmerking voor milieu-investeringsaftrek en willekeurige afschrijving milieu-investeringen.
     
  • Energie (en mest)
    Een investering in een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift welke primair gericht is op energiebesparing, duurzame energie of andere energievoorzieningen of energietoepassingen komt niet in aanmerking voor milieu-investeringsaftrek en willekeurige afschrijving milieu-investeringen.

    Brandstof en mest worden niet beschouwd als grondstof.
     
  • Geen melding van een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift als het bedrijfsmiddel elders op de Milieulijst staat.
    Een investering die naar aard, gebruik en toepassing overeenkomt met een in paragraaf 2a omschreven bedrijfsmiddel met middelvoorschrift wordt niet gemeld als een bedrijfsmiddel met doelvoorschrift.

Meest relevante artikelen uit de steunkaders (AGVV)

De meeste voorwaarden vloeien rechtstreeks voort uit de Europese steunkaders die de kaders aangeven waarbinnen stimuleringsregelingen als MIA\Vamil moeten blijven.

De twee meest relevante artikelen uit de steunkaders zijn:

  • Algemene Groeps Vrijstellings Verordering (AGVV), artikel 2, lid 101:
    Onder 'Milieubescherming' wordt verstaan: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen (…) het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.
  • (AGVV, artikel 36, lid 5):
    De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:
    a) wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;
    b) in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

Toelichting

Ad a):
Dit betreft bedrijfsmiddelen die geen ander doel dienen dan milieubescherming. Voorbeelden zijn end of pipe technieken, procesonderdelen die niet noodzakelijk zijn voor het proces zelf en bedrijfsmiddelen die volstrekt nieuw zijn en volledig gericht zijn op milieubescherming.

Ad b):
Een vergelijkbare investering is een investering met dezelfde productiecapaciteit en alle overige technische kenmerken (met uitzondering van die welke rechtstreeks betrekking hebben op de extra investering voor de verhoging van het niveau van milieubescherming). Een dergelijke referentie-investering moet, uit zakelijk oogpunt, een geloofwaardig alternatief zijn voor de te beoordelen investering.

Als er geen referentie-investering is die aan genoemde voorwaarden voldoet, is steun niet toegestaan. De referentie moet technisch vergelijkbaar zijn.
Niet investeren kan in principe geen referentie zijn onder b).

Uitzondering is de situatie van een bestaande situatie, waarin er geen noodzaak is het bedrijfsmiddel te vervangen. Een ander voorbeeld waarbij dit is toegestaan, is een bedrijf dat in een nieuwe fabriek investeert die alleen is gericht op milieuvoordeel (bijvoorbeeld een recyclingsfabriek) en die zonder steun niet zou zijn gebouwd.

In geval van een installatie die niet alleen is gericht op milieuvoordeel (de meeste productiefabrieken bijvoorbeeld) en waarvoor geen geloofwaardig alternatief bestaat, kan een nul-investering niet als referentie worden genomen. Immers, een productiefabriek heeft altijd milieueffecten. Er zijn dan geen milieuvoordelen ten opzichte van niet investeren. In een dergelijk geval is stimulering niet toegestaan.

Wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, hoeft er geen sprake te zijn van een geloofwaardige referentie-investering. Deze situatie valt onder a).

In geval van recycling of hergebruik van door andere ondernemingen geproduceerd afval geldt een andere omschrijving van de in aanmerking komende kosten: de in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn voor het uitvoeren van een investering die tot betere of efficiëntere recycling- of hergebruiksactiviteiten leidt, vergeleken met een conventioneel proces van hergebruik en recycling met dezelfde capaciteit die zonder de steun zou zijn gebouwd (artikel 47, lid 7, AGVV).

Tevens geldt voor alle bedrijfsmiddelen met doelvoorschrift het beginsel 'de vervuiler betaalt': het beginsel dat de kosten van het bestrijden van de vervuiling moeten worden gedragen door degene die de vervuiling heeft veroorzaakt (AGVV, artikel 2, lid 122).


Download onderaan de pagina Officiële bekendmakingen - MIA\Vamil de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV).

Service menu right