Biomassa SDE+

De SDE+ ondersteunt de productie van energie uit biomassa. Tijdens de openstellingsronde SDE+ voorjaar 2019 kunt u subsidie aanvragen voor monomestvergisting, allesvergisting, slibvergisting (RWZI), verbranding (thermische conversie) en vergassing van biomassa.

Vergisting

Uit verschillende analayses van het PBL over de toename van mestgebruik blijkt dat de afbakening van covergisting en vergisting van uitsluitend dierlijke mest (monomestvergisting) is vervaagd. Vanaf 2019 is daarom geen aparte categorie covergisting in de SDE+. Een aanvraag voor covergsting kan de in de categorie 'Allesvergsiting'.

Met ingang van 1 janauri 2019 is artikel 7C van de Algemene uitvoeringsregeling SDE gewijzigd. In dit artikel staat dat bij gebruik van coproducten moet worden voldaan aan de eisen van de Meststoffenwet.

  • Allesvergisting voor de productie van warmte, elektriciteit en warmte (WKK) of hernieuwbaar gas. Door vergisting van een groot aantal reststromen die genoemd worden in de NTA8003 kan een forse hoeveelheid hernieuwbare energie worden geproduceerd. De NTA8003 wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut. Voor deze categorie geldt een minimale biogasproductie van 25 Nm3 (aardgasequivalent) per ton ingevoerd materiaal.
  • Monomestvergisting > 400 kW voor de productie van warmte, elektriciteit of hernieuwbaar gas. De input mag alleen uit mest bestaan. De bovengrens van het maximale opgesteld vermogen is 400 kW.
  • In de categorieën monomestvergsting mag uitsluitend dierlijke mest worden ingezet. Voor gecombineerde opwekking wordt de 400 kW grens betrokken op de som van het elektrisch en het termisch vermogen.

In 2017 was een aparte tender voor kleinschalige (≤ 400 kW) monomestvergisting opengesteld.

Meer weten?

Rioolwaterzuivering - RWZI

RWZI verbeterde slibgisting voor de productie van hernieuwbare gas, warmte en/of elektriciteit. Hiervoor is een techniek neutrale systematiek gekozen zodat er meer mogelijkheden zijn om innovatieve technieken toe te passen. RWZI’s zijn namelijk zeer verschillend qua grootte en type installatie. Zo hebben de installaties verschillende manieren voor het combineren van slibstromen van andere locaties en de afzet en het ontwateren van het vergiste slib. Projecten moeten bij de aanvraag aantonen dat ze de bestaande biogasproductie met minimaal 25% kunnen verhogen. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas moeten nieuw zijn.  

RWZI bestaande slibgisting met opwerking naar hernieuwbaar gas. Deze categorie is voor slibvergstinginstallaties zonder meerproductie. De gasopwerkinstallatie moet nieuw zijn. Dit betreft projecten voor het opwaarderen van biogas tot groen gas dat ingevoed kan worden in het aardgasnet.

Verbranding van biomassa (thermische conversie)

Als eindproducten worden hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en/of hernieuwbare elektriciteit gesubsidieerd.

Warmte en WKK

Ook in 2019 worden er geen aparte categorieën voor WKK opengesteld. De categorieën zijn zo opgezet dat zowel warmte als elektriciteit voor hetzelfde basisbedrag worden ondersteund. Ook voor de basisenergieprijs en het correctiebedrag is uitgegaan van de bedragen die zijn berekend voor hernieuwbare warmte. Als de warmte wordt geleverd aan een bestaand warmtesysteem waarop al een stoomturbine of een ORC is aangesloten, kunnen daardoor zowel de daarmee opgewekte elektriciteit als de daarnaast 'nuttig aangewende warmte' worden gesubsidieerd. Door deze systematiek is het niet nodig om voor deze categorieën een ondergrens op te nemen voor het nominaal elektrisch rendement.

Voor 7 categorieën 'ketels op biomassa' kunt u subsidie aanvragen. Er wordt onderscheid gemaakt op basis van de volgende vermogens en soorten biomassa die worden ingezet:

  • Ketel op vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 0,5 MWth en ≤ 100 MWe;
  • Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa met een thermisch vermogen van ≥ 0,5 MWth en < 5 MWth
  • Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 5 MWth waarvoor de warmtestaffel van toepassing is;
  • Ketel op B-hout met een vermogen ≥ 5 MWth;
  • Stoomketel op houtpellets met een minimum vermogen van ≥ 5 MWth. De categorie stoomketel op houtpellets stimuleert de prodcutie van warmte uit stoom. In deze categorie is het toegestaan dat naast pellets uit vers hout, ook maximaal 15% pellets uit A-hout mogen worden verbrand. De technische levensduur van een ketel op houtpellets voor industriële stoom is minimaal 12 jaar. Omwille van de consistentie met andere warmtecategorieën voor biomassa is in 2019 de subsidieduur voor deze categorie aangepast van 8 naar 12 jaar.
  • Directe inzet van houtpellets voor industriële toepassingen, met een vermogen ≥ 5 MWth (bij deze categorie mogen bestaande onderdelen worden gebruikt). Hierbij geldt een bovengrens van 100 MW elektrisch;
  • Grote ketel op houtpellets voor stadsverwarming met een vermogen ≥ 10 MWth. Het correctiebedrag voor deze categorie is vastgesteld op 70% van de TTF-gasprijs.

Voor de categorie ‘Ketel op vloeibare biomassa ≥ 0,5 MWth’ is het mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen voor een productie-installatie waarvoor reeds eerder subsidie is verleend. Het blijkt dat er installaties zijn die door gewijzigde omstandigheden meer vollasturen kunnen draaien dan voorheen mogelijk bleek. Aangezien in het basisbedrag voor dit type installatie geen rekening wordt gehouden met de kostprijs van een ketel leidt dit niet tot overstimulering. Daarnaast is het zo dat elk productiejaar de eerdere beschikking volledig benut moet worden voordat subsidie op de latere beschikking wordt uitgekeerd.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft RVO.nl de opdracht gegeven om onderzoek te laten doen naar de lokale beschikbaarheid van verse houtige biomassa op de korte en lange termijn.

Warmtestaffel

Voor de categorie ‘Grote ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth’ is een warmtestaffel van toepassing. In deze systematiek wordt afhankelijk van de vollasturen een basisbedrag berekend.

Een installatie met veel vollasturen heeft een lagere afschrijving per vollastuur en krijgt daarom een lager subsidietarief maar wel meer subsidie zodat voor alle vollasturen biomassa kan worden ingekocht. Omgekeerd krijgt een installatie met weinig vollasturen die dus een hogere afschrijving heeft per vollastuur een hoger basisbedrag, maar minder subsidie omdat voor minder vollasturen biomassa hoeft te worden ingekocht.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in de zomer van 2018 een nadere analyse uitgevoerd en een advies voor de warmtestaffel uitgebracht.

De notitie met de analyse en het advies voor de warmtestaffel van PBL is beschikbaar op de pagina publicaties.

Brandstofeisen

Voor de meeste ketels is B-hout (hout afkomstig van sloop) uitgesloten. Bij de berekening van het basisbedrag van deze installaties is dan ook rekening gehouden met de hogere prijs die voor schoon hout moet worden betaald. Alleen voor de ‘Ketel op B-hout’ is de berekening van het basisbedrag juist gebaseerd op de lagere kostprijs die voor B-hout wordt betaald. Hierdoor is het basisbedrag voor deze ketel lager.
Als u een aanvraag hebt gedaan in een categorie die specifiek voor houtpellets als brandstof is opgezet, mag u maximaal 15% van de energieproductie opwekken met houtpellets van A-hout en maximaal 25% met reststromen uit raffinage van biomassa. In de SDE+ wordt onder bioraffinage een proces verstaan waarbij het hoofdproduct een fossiele grondstof verdringt. Daarom voldoet bijvoorbeeld lignine uit papierindustrie niet. Lignine die vrijkomt bij de productie van suikers uit hout waarbij uit de suikers bioplastics worden gemaakt is binnen de categorieën voor houtpellets wel een toegestane reststroom.
    
Voor de categorieën: ‘Ketel op vaste of vloeibare biomassa’ en de categorieën ‘Stoomketel op houtpellets’, ‘Ketel op B-hout’ en ‘Ketel op houtpellets voor stadsverwarming’ moet tenminste 95% van de energetische waarde van de gebruikte brandstof biogeen zijn om verbranding van afval of geselecteerde stromen uit afval uit te sluiten.

In alle installaties voor de verbranding van biomassa mag ook vloeibare biomassa worden ingezet mits de duurzaamheid daarvan wordt aangetoond.

Duurzaamheidseisen biomassa

Voor de categorieën ‘Stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth’, ‘Directe inzet van houtpellets voor industriële toepassingen ≥ 5 MWth en ≤ 100 MWe’ en ‘Ketel op houtpellets voor stadsverwarming ≥ 10 MWth’ waarbij vaste biomassa wordt ingezet, is de voorwaarde dat deze aan duurzaamheidseisen voor vaste biomassa voldoen. Dit zijn dezelfde eisen die gelden voor ‘Bestaande capaciteit voor bij- en meestook’ en ‘Nieuwe capaciteit voor meestook’. In deze categorieën zijn de duurzaamheidseisen van toepassing op alle soorten biomassa, zoals houtige biomassa en residuen uit de agrarische sector als van bioraffinage.

De certificatie, verificatie en handhaving van de duurzaamheidseisen van de vaste biomassa zijn verankerd in de Wet Milieubeheer. Per 1 januari 2019 is de AMvB onder de Wet Milieubeheer in werking getreden. De verificateur moet een conformiteitsjaarverklaring overleggen. Hiermee toont de producent aan dat over het gehele jaar aan de duurzaamheidseisen is voldaan.
Vanwege het lange implementatietraject van de nieuwe wetgeving is 2019 een overgangsjaar. De minister stelt in 2019 de producent en de toeleveringsketen in de gelegenheid om aan de nieuwe wetgeving te voldoen.

Gebruikt u vloeibare biomassa? Dan moet u aantonen dat deze voldoet aan de duurzaamheidseisen van de RED.

Meer weten?

Vergassing van biomassa

Ook in de SDE+ van 2019 is een categorie opengesteld voor de productie van hernieuwbaar gas uit vergassing van biomassa. Biosyngas valt niet onder de subsidie. Dit moet immers eerst worden omgezet naar methaan voordat het op het gasnet kan worden ingevoed. Vergassing van B-hout is toegestaan.

Garanties van Oorsprong (GvO)

Garanties van Oorsprong worden afgegeven door Vertogas en CertiQ. Vertogas is aangewezen als Garantie Beheerinstantie voor hernieuwbaar gas. Het aanmelden en certificeren via Vertogas is verplicht. Voor warmte en elektriciteit is de route van aanmelden en certificeren via CertiQ verplicht.

Nuttig aangewende warmte

RVO.nl geeft alleen subsidie voor warmte als deze voldoet aan de definitie van 'nuttig aangewende warmte' zoals bedoeld in de GvO-regeling. Per 1 januari 2017 is de GvO-regeling aangescherpt. In de aanhef van de definitie 'nuttig aangewende warmte' is als extra voorwaarde opgenomen: 'voor zover daarmee de inzet van niet-hernieuwbare energie wordt voorkomen.'

Dit betekent dat uw toepassing zoals het drogen van mest of de teelt van gewassen ook gecontroleerd kan worden op deze besparing van niet-hernieuwbare energie. Hierbij is het belangrijk dat de hoeveelheid geproduceerd product (gewassen, gedroogde mest) in verhouding staat met de ingezette hoeveelheid nuttige warmte. Daarnaast moet de toepassing van dit product voldoende toegevoegde waarde hebben. Informatie over de GvO's en een voorlichtingsfilm vindt u op de website van CertiQ.

GvO-regeling per 1 januari 2019 gewijzigd

Per 1 januari 2019 is de GvO-regeling gewijzigd. Deze wijziging bevat een aantal technische verbeteringen en enkele verbeteringen in het toezicht op de gehele keten. Van uitgifte van garanties van oorsprong (GvO’s) tot uitbetaling van SDE+ subsidie. Met de wijziging van de GvO-regeling zijn er ook aanpassingen aangebracht in de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie (AU SDE). In artikel 14 wordt 'NTA 8003:2008' vervangen door 'NTA 8003:2017'. Informatie over de GvO's en een voorlichtingsfilm vindt u op de website van CertiQ.

Meer weten?

Aanvragen

Via mijn.rvo.nl kunt u tijdens de openstellingen uw aanvraag indienen. Daar vindt u alle documenten die u nodig heeft voor uw aanvraag en na uw aanvraag. Wanneer uw project subsidie ontvangt, komt u in de beheerfase. Ook die informatie vindt u op mijn.rvo.nl.

Veelgestelde vragen

Service menu right