Biomassa SDE+

De SDE+ ondersteunt de productie van energie uit biomassa. Tijdens de openstellingsrondes SDE+ 2018 kunt u subsidie aanvragen voor vergisting en co-vergisting van mest, allesvergisting, slibvergisting (RWZI), verbranding (Thermische conversie) en vergassing van biomassa.

In 2018 zijn geen aanvragen voor projecten met verlengde levensduur mogelijk. Voorheen was het mogelijk om voor projecten die MEP of OVMEP hebben ontvangen een aanvraag voor verlengde levensduur in te dienen. Nagenoeg alle producenten hebben dit ook gedaan.

SDE+ najaarsronde 2018 wijzigingen Biomassa ≥ 5 MWth

Voor de categorie ‘Grote ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth’ heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een nadere analyse uitgevoerd en een nieuw advies voor de warmtestaffel uitgebracht. De overgang in subsidiehoogtes tussen deze categorie en de categorie Biomassa ≥ 0,5 en < 5 MWth is hierdoor geleidelijker. Kijk voor meer informatie bij Warmtestaffel onder Verbranding van biomassa.

Vergisting

In de SDE+ 2018 zijn verschillende categorieën opengesteld voor nieuwe vergistingsinstallaties. Voorwaarde is dat ten minste de vergistingstank nieuw is. De gasmotor, ketel of biogasopwaardeerinstallatie mag bestaand zijn. De categorieën nieuwe vergisting die voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • Allesvergisting voor de productie van warmte, elektriciteit en warmte (WKK) of hernieuwbaar gas. Door vergisting van een groot aantal reststromen die genoemd worden in de NTA8003 kan een forse hoeveelheid hernieuwbare energie worden geproduceerd. De NTA8003 wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut. Voor deze categorie geldt een minimale biogasproductie van 25 Nm3 (aardgasequivalent) per ton ingevoerd materiaal.
  • Mestvergisting waaronder begrepen: monomestvergisting > 400 kW en mestcovergisting voor de productie van warmte, elektriciteit en warmte (WKK) of hernieuwbaar gas. Deze technieken zijn samengevoegd in één categorie. In deze categorie kunt u subsidie aanvragen voor de vergisting van ten minste 50% mest. Daarnaast kunnen tot maximaal 50% andere stoffen worden toegevoegd die zijn toegestaan volgens de Uitvoeringsregeling Meststoffen. Het digestaat dat na vergisting overblijft, mag als meststof worden verhandeld. Voor deze categorie is het door ECN berekende basisbedrag, de basisenergieprijs en het correctiebedrag overgenomen van grootschalige monomestvergisting en het hogere aantal vollasturen van mestcovergisting. Hiermee houdt u de flexibiliteit om uw businesscase aan te passen.
  • Monomestvergisting ≤ 400 kW voor de productie van warmte, elektriciteit of hernieuwbaar gas. De input mag alleen uit mest bestaan. De bovengrens van het maximale opgesteld vermogen blijft 400 kW. Grotere projecten voor monomestvergisting dient u in de categorie ‘Mestvergisting’ in.
In juli 2017 was een aparte tender voor kleinschalige (≤ 400 kW) monomestvergisting opengesteld.

Meer weten?

Rioolwaterzuivering - RWZI

In 2018 kunt u een aanvraag indienen in de categorie 'RWZI verbeterde slibgisting'. Als eindproducten worden hernieuwbare gas, warmte en/of elektriciteit gesubsidieerd. Hiervoor is een techniek neutrale systematiek gekozen zodat er meer mogelijkheden zijn om innovatieve techenieken toe te passen. RWZI’s zijn namelijk zeer verschillend qua grootte en type installatie. Zo hebben de installaties verschillende manieren voor het combineren van slibstromen van andere locaties en de afzet en het ontwateren van het vergiste slib.

Daarnaast hebben waterschappen uiteenlopende wensen voor de toepassing van innovatieve technieken. De producent moet in de aanvraag onderbouwen dat met toepassing van een nieuwe techniek de biogasproductie met 25% kan worden verhoogd. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas moeten nieuw zijn.

Verbranding van biomassa (Thermische conversie)

Als eindproducten worden hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en/of hernieuwbare elektriciteit gesubsidieerd.

Warmte en WKK

In 2018 worden er geen aparte categorieën voor WKK opengesteld. De categorieën zijn zo opgezet dat zowel warmte als elektriciteit voor hetzelfde basisbedrag worden ondersteund. Ook voor de basisenergieprijs en het correctiebedrag is uitgegaan van de bedragen die zijn berekend voor hernieuwbare warmte. Als de warmte wordt geleverd aan een bestaand warmtesysteem waarop al een stoomturbine of een ORC is aangesloten, kunnen daardoor zowel de daarmee opgewekte elektriciteit als de daarnaast 'nuttig aangewende warmte' worden gesubsidieerd. Door deze nieuwe systematiek is het niet langer nodig om voor deze categorieën een ondergrens op te nemen voor het nominaal elektrisch rendement.

In 2018 kunt u voor vijf categorieën biomassa voor warmteproductie subsidie aanvragen. Er wordt onderscheid gemaakt op basis van de volgende vermogens en soorten biomassa die worden ingezet:

  • Ketel op vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 0,5 MWth en ≤ 100 MWe;
  • Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa met een thermisch vermogen van ≥ 0,5 MWth en < 5 MWth
  • Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa met een thermisch vermogen ≥ 5 MWth waarvoor de warmtestaffel van toepassing is;
  • Ketel voor industriële stoom uit houtpellets met een vermogen van ≥ 5 MWth;
  • Brander op houtpellets ≥ 5 MWth en ≤ 100 MWe.

Voor de categorie ‘Ketel op vloeibare biomassa ≥ 0,5 MWth’ is het mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen voor een productie-installatie waarvoor reeds eerder subsidie is verleend. Het blijkt dat er installaties zijn die door gewijzigde omstandigheden meer vollasturen kunnen draaien dan voorheen mogelijk bleek. Aangezien in het basisbedrag voor dit type installatie geen rekening wordt gehouden met de kostprijs van een ketel leidt dit niet tot overstimulering. Daarnaast is het zo dat elk productiejaar de eerdere beschikking volledig benut moet worden voordat subsidie op de latere beschikking wordt uitgekeerd.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft RVO.nl de opdracht gegeven om onderzoek te laten doen naar de lokale beschikbaarheid van verse houtige biomassa op de korte en lange termijn.

Warmtestaffel

De categorie ‘Thermische conversie biomassa, gecombineerde opwekking’ uit eerdere SDE+ subsidierondes' is in 2018 samengevoegd met de categorie ‘Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth'.

Op verzoek van de markt is voor de categorie ‘Grote ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth’ een nieuwe systematiek ontwikkeld waarbij afhankelijk van de vollasturen een basisbedrag is berekend. Een installatie met veel vollasturen heeft een lagere afschrijving per vollastuur en krijgt daarom een lager subsidietarief maar wel meer subsidie zodat voor alle vollasturen biomassa kan worden ingekocht. Omgekeerd krijgt een installatie met weinig vollasturen die dus een hogere afschrijving heeft per vollastuur een hoger basisbedrag, maar minder subsidie omdat voor minder vollasturen biomassa hoeft te worden ingekocht.
Voor de SDE+ najaarsronde 2018 worden de basis- en correctiebedragen ‘Grote Ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth' als volgt voorgesteld:

SDE najaarsronde 2018 biomassatabel

De notitie met de analyse en het advies voor de warmtestaffel van PBL is beschikbaar op de pagina publicaties.

Brander op houtpellets

Nieuw in 2018 is de categorie ‘Brander op houtpellets’ met een thermisch vermogen van 5 MW en een elektrisch vermogen ≤ 100 MWe. Vanuit de markt is het verzoek gekomen om dit mogelijk te maken. Dit kan ook voor projecten waarbij de warmte direct wordt gebruikt voor een oven of een fornuis. Omdat hiervoor aanzienlijke hoeveelheden pellets nodig kunnen zijn, moeten de pellets voldoen aan de duurzaamheidseisen die ook gelden voor de pellets die gebruikt mogen worden voor de categorieën ‘Ketel-industriële stoom uit houtpellets ≥ 5 MW’ en ‘Bij- en meestook’.

Correctiebedrag grootschalige warmte

Sinds 2012 is hernieuwbare warmte in de SDE+ opgenomen. Anders dan bij elektriciteit en gas, is de marktprijs van warmte afhankelijk van de lokale situatie en schaalgrootte van de installatie. Er worden daarom verschillende correctiebedragen gehanteerd afhankelijk van de schaalgrootte en toepassing van de referentie -installatie uit de ECN berekeningen. De correctiebedragen zijn daarbij grotendeels gebaseerd op de aardgasprijs (inclusief energiebelasting) en het omzettingsrendement van een gasketel. Voor grootschalige warmteopties is het correctiebedrag (de categorieën geothermie en de categorieën 'Grote ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5MW' en de 'Ketel industriële stoom op houtpellets ≥ 5 MWth’) vastgesteld op 90% van de aardgasprijs (TTF).

Brandstofeisen

  • Er mag geen B-hout worden gebruikt als brandstof.
  • Tenminste 95% van de energetische waarde van de gebruikte brandstof moet biogeen zijn, met uitzondering van de categorieën 'Ketel vloeibare biomassa' en ‘Brander op houtpellets’.

Duurzaamheidseisen biomassa

Bedrijven die SDE+ subsidie willen ontvangen voor

  • bij- en meestook van biomassa in kolencentrales
  • ketel industriële stoom uit houtpellets ≥ 5 MWth
  • brander op houtpellets 5 MWth en ≤ 100 MWe

moeten aantonen dat de ingezette biomassa aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa voldoet.

Gebruikt u vloeibare biomassa? Dan moet u aantonen dat deze voldoet aan de duurzaamheidseisen van de RED.
 

Meer weten?

Renewable Energy Directive
> Lees hier de duurzaamheidseisen aan vaste biomassa

Vergassing van biomassa

In de SDE+ regeling van 2018 is opnieuw een categorie opengesteld voor de productie van hernieuwbaar gas uit vergassing van biomassa. Biosyngas valt niet onder de subsidie. Dit moet immers eerst worden omgezet naar methaan voordat het op het gasnet wordt ingevoed. Vergassing van B-hout is toegestaan.

Garanties van Oorsprong (GvO)

Garanties van Oorsprong worden afgegeven door Vertogas en CertiQ. Vertogas is aangewezen als Garantie Beheerinstantie voor hernieuwbaar gas. Het aanmelden en certificeren via Vertogas is verplicht. Voor warmte en elektriciteit is de route van aanmelden en certificeren via CertiQ verplicht.

Nuttig aangewende warmte

RVO.nl geeft alleen subsidie voor warmte als deze voldoet aan de definitie van 'nuttig aangewende warmte' zoals bedoeld in de GvO-regeling. Per 1 januari 2017 is de GvO-regeling aangescherpt. In de aanhef van de definitie 'nuttig aangewende warmte' is als extra voorwaarde opgenomen: 'voor zover daarmee de inzet van niet-hernieuwbare energie wordt voorkomen.'

Dit betekent dat uw toepassing zoals het drogen van mest of de teelt van gewassen ook gecontroleerd kan worden op deze besparing van niet-hernieuwbare energie. Hierbij is het belangrijk dat de hoeveelheid geproduceerd product (gewassen, gedroogde mest) in verhouding staat met de ingezette hoeveelheid nuttige warmte. Daarnaast moet de toepassing van dit product voldoende toegevoegde waarde hebben. Informatie over de GvO's en een voorlichtingsfilm vindt u op de website van CertiQ.

Meer weten?

Aanvragen

Op mijn.rvo.nl/sde kunt u tijdens de openstellingen uw aanvraag doen. Daar vindt u alle documenten die u nodig heeft voor uw aanvraag en na uw aanvraag. Wanneer uw project subsidie ontvangt, komt u in de beheerfase. Ook die informatie vindt u op mijn.rvo.nl/sde.

Veel gestelde vragen

Service menu right