Veelgestelde vragen MOOI
Hieronder vindt u de veelgestelde vragen over de MOOI.
Ja, dat mag. Pilotactiviteiten zijn een vorm van experimentele ontwikkeling. U test een experimenteel prototype product, proces of dienst onder echte omstandigheden. De omgeving van de test is representatief voor de werkelijke situatie. Het hoofddoel is om verdere technische verbeteringen aan te brengen. Dit type activiteiten valt binnen de definitie van een MOOI-project. Bestaat het project helemaal uit een pilot? Dan kunt u hiervoor DEI+-subsidie aanvragen.
Op de MOOI-subsidiepagina's en in de Handleiding MOOI staat wat de projecten moeten opleveren. Sommige projecten moeten al tijdens de looptijd producten, processen of diensten opleveren. In ieder geval een eerste generatie daarvan. Een prototype ontwikkelen mag binnen de MOOI. Het is ook mogelijk om in uw MOOI-project onderzoek te doen naar een prototype in een pilotproject van de DEI+. De subsidie daarvoor moet u dan hebben aangevraagd of moet zijn goedgekeurd. Bekend moet zijn wat de pilot doet (wie, wat, waar).
Maakt u in het verlengde van het MOOI-project ook gelijktijdig gebruik van andere regelingen? Dan waarderen we dat positief bij het rangschikkingscriterium 'kwaliteit van het project'. Dit is hetzelfde bij de DEI+. Wel moet u goed letten op de staatssteunregels. De totale steun mag niet te hoog zijn. Neem contact met ons op om te horen wat de andere bijdrage voor de subsidie aan uw project betekent.
De reden is dat een samenwerkingsverband slagvaardig moet zijn. Het gaat erom dat deelnemers een significante (veelbetekenende) bijdrage leveren aan het project. En dat dit van toegevoegde waarde is voor het eindresultaat. Een partij kan een kleine, maar voor het project essentiële bijdrage leveren. Zeker de deelname van overheden (zoals een gemeente of provincie die geen subsidie mag ontvangen) kan waardevol zijn als belanghebbende.
Leveren partijen geen relevante bijdrage en gelden ze als opvulling van het samenwerkingsverband? Dan werkt dat negatief door in de beoordeling van de subsidieaanvraag op de rangschikkingscriteria 'kwaliteit van het samenwerkingsverband' en 'kwaliteit van het project'.
Een partij die in 'in-kind' (in natura, dus niet met geld) bijdraagt aan het project moet een verklaring opstellen. Hierin staan de kosten die deze partij maakt tijdens de looptijd van het project. Hiervoor geldt dat:
- deze partij geen subsidie aanvraagt;
- de kosten wel bij de totale subsidiabele projectkosten (de kosten die in aanmerking komen voor subsidie) moeten worden opgeteld;
- de activiteiten en kosten opgenomen worden in de projectplan en begroting (in de begroting wordt dan € 0 opgenomen bij de gevraagde subsidie);
- deze partij meetelt bij de beoordeling van het samenwerkingsverband.
De partij moet de verklaring op eigen briefpapier opstellen en door een gemandateerde (bevoegd persoon) van deze partij laten ondertekenen. In de verklaring moet minimaal staan:
- het bedrag van de in-kind bijdrage;
- een toelichting op de activiteiten;
- een toelichting op de reden dat deze partij deelneemt aan het project zonder subsidie.
Stuur uw verklaring mee met uw subsidieaanvraag. Ontbreekt de verklaring bij de aanvraag? Dan is uw aanvraag onvolledig. We kunnen die dan niet beoordelen en wijzen de aanvraag daarom af.
Tijdens de looptijd van het project moet de partij een correcte en overzichtelijke administratie bijhouden. Daarin staan de uren en gemaakte en betaalde kosten voor ieder resultaat. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie aan het eind van het project stuurt de partij een verantwoording mee. Daarin staan de resultaten en kosten.
Nee, dat mag niet. Het staat partijen die geen subsidie willen of kunnen aanvragen, wel vrij om aan het project deel te nemen. Maar dit kan alleen als ze met toepassing van het geldende subsidiepercentage fictief zouden uitkomen op € 25.000 subsidie of meer. Dit is de ondergrens van de MOOI-regeling.
Een voorwaarde voor een project is dat er minimaal € 2 miljoen aan totale subsidiabele kosten (kosten die in aanmerking komen voor subsidie) zijn. We stimuleren daarmee aanvragen die voldoende massa hebben. Samenwerkingsverbanden zetten daarmee flinke stappen. En we voorkomen hiermee een gefragmenteerde (verdeelde) inzet van publieke innovatiemiddelen.
Let op: het doel van de subsidie MOOI is niet een zo groot mogelijk samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband moet wel slagvaardig zijn. Het gaat erom dat deelnemers een aanzienlijke bijdrage leveren aan het project. Dit moet van toegevoegde waarde zijn voor het eindresultaat. Als partijen niet flink bijdragen, werkt dat negatief door in de beoordeling van de subsidieaanvraag op de rangschikkingscriteria 'kwaliteit van het samenwerkingsverband' en 'kwaliteit van het project'. Alleen 'opvulling' van het samenwerkingsverband is niet wenselijk.
Heeft uw buitenlandse onderneming geen vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland? Dan krijgt deze onderneming geen subsidie.
Heeft u een buitenlandse partner die wel activiteiten uitvoert in uw project? Dan mag u de kosten wel meenemen als subsidiabele kosten (kosten die vallen onder de subsidie). Uw buitenlandse partner is in dit geval een 'in-kind deelnemer'.
Ja, deze partij doet dan mee als in-kind deelnemer. Het staat partijen die geen subsidie willen of kunnen aanvragen vrij om aan het project deel te nemen. Als zij activiteiten uitvoeren in het project mogen de kosten meegenomen worden als subsidiabele kosten (kosten die in aanmerking komen voor subsidie) in de begroting. Maar dit kan alleen als ze met toepassing van het geldende subsidiepercentage uitkomen op € 25.000 subsidie of meer. Dit is de ondergrens van de subsidie MOOI. Let op: het doel is niet om een zo groot mogelijk samenwerkingsverband te realiseren.
Ja, dat mag. Onderzoeksorganisaties kunnen geld krijgen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare instellingen (als ze rechtspersoon zijn). Die eigen bijdrage mag zijn voor:
- onderzoek en ontwikkeling
- niet-economische overige projectactiviteiten
Voor subsidies van de Rijksoverheid geldt dat onderzoeksorganisaties hiermee hun eigen aandeel in de projectkosten kunnen financieren. Het moet gaan om een bijdrage van een minister voor algemene exploitatie- en investeringskosten. Ook moeten de voorwaarden van de beschikking deze activiteiten toestaan. Voor onderzoek en ontwikkeling is dat het geval. Voor overige niet-economische projectactiviteiten is dat geen gegeven.
Andere subsidies van de Rijksoverheid brengen we in mindering op de subsidie MOOI.
Er zijn geen harde grenzen aan de omvang van eventuele uitbesteding van activiteiten.
De mate van uitbesteding raakt de kwaliteit van de samenwerking. Voor sommige taken kan uitbesteding voor de projectkwaliteit de beste optie zijn. Er moet altijd sprake blijven van een evenwichtige en kwalitatief goede samenwerking tussen meer projectpartners. Dit geldt voor het hele project.
Per deelnemer is er dus geen grens. Voor sommige deelnemers kan een substantiële (niet geringe) uitbesteding goed zijn. Het is belangrijk om altijd goed te motiveren waarom u hiervoor kiest. Waarom is dit in de ogen van het samenwerkingsverband de beste optie?
De subsidie voor overige projectactiviteiten is maximaal 5% van de totale subsidiabele kosten van het MOOI-project. Het is niet meer dan € 350.000 per MOOI-project en niet meer dan € 300.000 per onderneming, want dit is de maximale vrijstelling bij de de-minimisverordening.
Bekijk ook de veelgestelde vragen over de Topsector Energie-regelingen.
Staat uw vraag hier niet tussen? Kijk dan in de MOOI Handleiding.
- Ministerie van Klimaat en Groene Groei
