Bergrietbok

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Groves et al., 2011; IUCN SSC Antelope Specialist Group, 2017; Wilson & Reeder, 2005)
Familie Bovidae
Subfamilie Reduncinae
Genus Redunca
Soort Redunca fulvorufula
Gedomesticeerd Nee
Kruising Nee
Volwassen grootte
  • Kop-romp: 100-124 cm
  • Schofthoogte: 60-80 cm
Gewicht 22-37 kg (m), 22-35 kg (v)
Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Botswana, Kameroen, Ethiopië, Kenia, Lesotho, Mozambique, Nigeria, Zuid-Afrika, Zuid-Soedan, Swaziland, Tanzania en Oeganda. 
  • Habitat: Graslanden in berggebieden. Heeft een voorkeur voor rotsachtig terrein met steile hellingen.
Levensverwachting 14 jaar gevangenschap
IUCN-status “Endangered”
CITES Niet vermeld

Risicoklasse F

Bergrietbokken zijn in staat ernstige letselschade te veroorzaken bij de mens. Daarnaast zijn in vier risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Om deze redenen valt de bergrietbok onder risicoklasse F.

Samenvatting beoordeling van de bergrietbok

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (!), maar telt deze niet mee in de eindscore. Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X). 

Gezondheid mens
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) Bij de bergrietbok is het hoog-risico zoönotische pathogeen Mycobacterium tuberculosis aangetoond. Bij de sympatrische en aanverwante soort binnen hetzelfde genus (Redunca) de zuidelijke rietbok (R. arundinum) zijn de hoogrisico zoönotische pathogenen rabiësvirus en Rift Valley fever virus aangetoond. Dit leidt in het geval van wildvang tot een signalerende toepassing van deze risicofactor. 
Letselschade XF Bij bergrietbokken is er gevaar op zeer ernstig letsel bij de mens, waardoor de bergrietbok direct onder risicoklasse F valt.

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X
  • De bergrietbok heeft hypsodonte gebitselementen.
  • Bergrietbokken moeten dagelijks langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid X
  • Bergrietbokken gebruiken een beschutte verstopplaats.
  • Bergrietbokken gebruiken hoogte-elementen.
Thermoregulatie X De bergrietbok is aangepast aan een tropisch montaan klimaat.
Sociaal gedrag X Bergrietbokken hebben een dominantiehiërarchie.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG1 ! (signalerend) Bij de bergrietbok is het hoog-risico zoönotische pathogeen Mycobacterium tuberculosis (Govender, 2013; Michel et al., 2003) aangetoond. Bij de sympatrische en aanverwante soort binnen hetzelfde genus (Redunca) de zuidelijke rietbok (R. arundinum) zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen het rabiësvirus (Bekker et al., 2012; Swanepoel et al., 1993) en Rift Valley fever virus (Olive et al., 2012) aangetoond. Dit leidt in het geval van wildvang tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2 XF

De bergrietbok weegt 22-36 kg en alleen de mannetjes beschikken over hoorns van 18-22,5 cm (Groves et al., 2011). Bij gevechten tussen mannetjes worden de hoorns als wapens gebruikt. Een dikke, sterke nek en dikke huid in de nek beschermt tegen de scherpe hoornpunten (Estes, 1991).Bergrietbokken zijn wilde dieren en het hanteren van bergrietbokken vereist ervaring en deskundigheid van de houder (Wolfe, 2015).

Gezien de grootte, morfologie en het gedrag van bergrietbokken kunnen ze zeer ernstig letsel bij de mens veroorzaken, waardoor de bergrietbok direct onder risicoklasse F valt.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   De bergrietbok is een grazer (Groves et al., 2011; Mendoza & Palmqvist, 2007). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2 X De bergrietbok heeft hypsodonte kiezen (Damuth & Janis, 2011; Kaiser et al., 2013; Mendoza & Palmqvist, 2007). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V3 X Bergrietbokken zijn zowel overdag (50% van de tijd) als ’s nachts (72% van de tijd) actief, met pieken in de vroege morgen en late namiddag. Circa 30% van de tijd wordt gespendeerd aan foerageren (Groves et al., 2011; Taylor et al., 2006). Om aan energiebehoeften te kunnen voldoen moeten grazende herkauwers betrekkelijk veel consumeren en besteden zij dagelijks enkele lange periodes aan foerageren om de grote pens, die is geoptimaliseerd voor de fermentatie van vezels, maximaal te vullen (Hofmann, 1989).Bergrietbokken moeten dagelijks langdurig foerageren. Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van bergrietbokken bestaat voornamelijk uit grassen. Tijdens het droge seizoen wordt het dieet aangevuld met stengels en tweezaadlobbigen (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1   Bergrietbokvrouwtjes hebben een home range van gemiddeld 0,57 km2. Mannetjes zijn territoriaal en verdedigen een gebied van 0,15-0,28 km2. De home ranges van de vrouwtjes lopen door de territoria van verscheidene mannetjes heen. Mannetjes verdedigen de grenzen onafhankelijk van de aanof afwezigheid van vrouwtjes. Mannetjes strijden om een territorium met beschutting te verkrijgen om vrouwtjes aan te trekken. De home ranges van mannetjes zijn daarom vrijwel altijd gelegen in heuvelachtige gebieden. Vrouwtjes zijn niet territoriaal. De mannetjes brengen geen geurmerken aan, maar gebruiken visuele signalen om elkaar op afstand van het territorium te houden. De territoria zijn klein en de mannetjes van naast elkaar gelegen territoria kunnen elkaar makkelijk in de gaten houden. Langs de grenzen kunnen home ranges 5-35% overlappen (Groves et al., 2011; Taylor & Skinner, 2006). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2 X De jongen van bergrietbokken gebruiken een beschutte verstopplaats (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R3   Bergrietbokken gebruiken rotsachtig terrein om aan roofdieren te ontsnappen en verstoppen zich in gebieden met hoog gras. Ze vermijden vlakke en open gebieden (Groves et al., 2011). Bergrietbokken bevriezen of verstoppen zich. Ze zijn geen typische vluchtdieren en kunnen niet langdurig snel rennen om aan roofdieren te ontkomen (Estes, 1991; Taylor & Skinner, 2006). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R4   Bergrietbokken gebruiken geen holen of kuilen (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R5 X Bergrietbokken leven in een habitat met hoogte-elementen, die zij als toevluchtsoord bij tekenen van gevaar gebruiken en zijn morfologisch aangepast aan leven op ruig terrein (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 X

Bergrietbokken leven in een tropisch montaan klimaat (Groves et al., 2011; Schultz, 2005). De gemiddelde minimumtemperatuur in bergachtige graslanden van zuidelijk Afrika waar bergrietbokken voorkomen is 10 °C (met een uiterste minimumtemperatuur van -10 °C) en de gemiddelde maximumtemperatuur is 22 °C (met een uiterste aximumtemperatuur van 39 °C). De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid is 500-4000 mm, afhankelijk van de verspreiding, en de luchtvochtigheid is gemiddeld 40% (Meteoblue, 2020; Schultz, 2005).

De bergrietbok is aangepast aan een tropisch montaan klimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

T2   Uit gedetailleerd gedragsonderzoek is niet gebleken dat bergrietbokken gebruik maken van een speciale zoel-, koel- of opwarmplaats (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3   Bergrietbokken zijn jaarrond actief (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Bergrietbokken hebben een polygame leefwijze (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Bergrietbokvrouwtjes leven in groepen van 3-8 individuen bestaande uit meerdere vrouwtjes met nakomelingen. De groepssamenstelling is zeer flexibel en verandert regelmatig. Mannetjes leven solitair of in bachelorgroepen. Mannetjes strijden onderling om een territorium met beschutting te verkrijgen om vrouwtjes aan te trekken. Sterkere mannetjes hebben betere territoria (Groves et al., 2011; Taylor, 2006).Oudere mannetjes zijn dominanter dan jongere mannetjes. De jongere mannetjes vormen bachelorgroepen en zijn meestal tussen 1-2,5 jaar oud (Furstenburg, 2020). Binnen bachelorgroepen met non-territoriale mannetjes bestaat vaak een dominantiehiërarchie (Sarkar, 2003). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3   Vrouwtjes zijn vanaf 18-24 maanden geslachtsrijp en kunnen één keer per jaar werpen. Vrouwtjes zijn 236-251 dagen drachtig en krijgen per worp één jong. Bergrietbokken kunnen zich jaarrond voortplanten. De geboortepiek hangt af van de verspreiding. In gebieden met strenge winters zijn geboortes beperkt tot de zomermaanden (met name november) (Groves et al., 2011). Bergrietbokken hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Bekker, J., Jooste, P. & Hoffman, L. (2012). Wildlife-associated zoonotic diseases in some southern African countries in relation to game meat safety: A review. Onderstepoort Journal of Veterinary Research. 79(1). 1-12.

Damuth, J. & Janis, C. (2011). On the relationship between hypsodonty and feeding ecology in ungulate mammals, and its utility in palaeoecology. Biological Reviews. 86(3). 733-758.

Estes, R. (1991). The behavior guide to African mammals. Berkeley, Los Angeles, London: University of California Press.

Furstenburg, D. (2020). Mountain Reedbuck. Heidelberg: Geo Wild Consult. Opgehaald van Mountain Reedbuck: https://www.researchgate.net/profile/Deon_Furstenburg/publication/31616…

Govender, K. (2013). Preliminary validation of Mycobacterium tuberculosis complex-specific PCR tests for the detection of M. bovis and M. tuberculosis in formalin-fixed, paraffin-embedded tissues of captive and free-ranging wildlife. PhD Thesis. Pretoria: University of Pretoria.

Groves, C. P., Leslie Jr., D. M., Huffman, B. A., Valdez, R., Habibi, K., Weinberg, P. J., Burton, J. A., Jarman, P. J. & Robichaud, W. G. (2011). Family Bovidae (Hollow-horned Ruminants). In D. E. Wilson & R. A. Mittermeier, Handbook of the mammals of the world (pp. 444-779). Barcelona: Lynx Edicions.

Hofmann, R. (1989). Evolutionary steps of ecophysiological adaptation and diversification of ruminants: a comparative view of their digestive system. Oecologia. 78(4). 443-457.

IUCN SSC Antelope Specialist Group. (2017). Redunca fulvorufula. The IUCN Red List of Threatened Species 2017. Opgehaald van IUCN: http://dx.doi.org/10.2305/IUCN.UK.2017-2.RLTS.T19391A50193881.en

Kaiser, T., Müller, D., Fortelius, M., Schulz, E., Codron, D. & Clauss, M. (2013). Hypsodonty and tooth facet development in relation to diet and habitat in herbivorous ungulates: implications for understanding tooth wear. Mammal Review. 43(1). 34-46.

Mendoza, M. & Palmqvist, P. (2007). Hypsodonty in ungulates: an adaptation for grass consumption or for foraging in open habitats? Journal of Zoology. 274(2). 1-9.

Meteoblue. (2020). Maseru, Lesotho. Opgehaald van Meteoblue: https://www.meteoblue.com/en/weather/historyclimate/climatemodelled/mas…

Michel, A., Venter, L., Espie, I. & Coetzee, M. (2003). Mycobacterium tuberculosis infections in eight species at the National Zoological Gardens of South Africa, 1991–2001. Journal of Zoo and Wildlife Medicine. 34(4). 364-370.

Olive, M., Goodman, S. & Reynes, J. (2012). The role of wild mammals in the maintenance of Rift Valley fever virus. Journal of Wildlife Diseases. 48(2). 241-266.

Sarkar, A. (2003). Social behaviour in animals, p 99-122. Discovery Publishing House.

Schultz, J. (2005). The ecozones of the world. Berlijn, Duitsland: Springer.

Swanepoel, R., Barnard, B., Meredith, C., Bishop, G., Bruckner, G., Foggin, C. & Hubschle, O. (1993). Rabies in southern africa. Onderstepoort Journal of Veterinary Research. 60. 325-346.

Taylor, W. (2006). Factors influencing productivity in sympatric populations of mountain reedbuck and grey rhebok in the Sterkfontein Dam Nature Reserve, South Africa. PhD Thesis. Pretoria: University of Pretoria.

Taylor, W., & Skinner, J. (2006). A review of the social organisation of mountain reedbuck, Redunca fulvorufula, and grey rhebok, Pelea capreolus, in relation to their ecology. Transactions of the Royal Society of South Africa. 61(1). 8-10.

Taylor, W., Skinner, J. & Krecek, R. (2006). The activity budgets and activity patterns of sympatric grey rhebok and mountain reedbuck in a highveld grassland area of South Africa. African Journal of Ecology. 44(4). 431-437.

Wilson, D. & Reeder, D. (2005). Mammal species of the world. A taxonomic and geographic reference (3rd ed). Opgehaald van Mammal species of the world: https://www.departments.bucknell.edu/biology/resources/msw3/

Wolfe, B. A. (2015). Chapter 63 Bovidae (except sheep and goats) and Antilocapridae. In R. E. Miller & M. E. Fowler, Fowler's Zoo and Wild Animal Medicine, Volume 8 (pp. 626-645). Saunders.

Bent u tevreden over deze pagina?