Gedomesticeerde geit + Bezoargeit

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Dong et al., 2015; Groves et al., 2011; Nicholson & Husband, 1992)
Familie Bovidae
Subfamilie Caprinae
Genus Capra
Soort Capra aegagrus hircus (gedomesticeerde geit)
Capra aegagrus (bezoargeit)
Gedomesticeerd Gedomesticeerde geit: ja, Geiten zijn vanaf de steentijd gehouden en gedomesticeerd (Scheu 2018; Amills et al. 2017; Talenti et al. 2017; Lallo et al. 2012).
Bezoargeit: nee
Kruising Nee
Volwassen grootte

Gedomesticeerde geit: verschillend

Bezoargeit:

  • Kop-romp: 129-152 cm
  • Staart: 11-13 cm
  • Schofthoogte: 55-90 cm
Gewicht

Gedomesticeerde geit: Verschillend, een klein ras zoals de Nigeriaanse dwerggeit weegt 9 kg, een groot ras zoals de Anglo-Nubische geit weegt 113 kg.

Bezoargeit: 25-90 kg

Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Turkije, Zuid-Rusland, Noordoost-Georgië, Armenië, Azerbeidzjaan, Noord-Irak, Iran, Turkmenistan, Afghanistan en Zuidwest-Pakistan, Griekenland. Geïntroduceerd in New Mexico (VS).
  • Habitat: (Beboste) rotsachtige, steile hellingen met bijbehorende kliffen tot 4.000 m hoogte.
Levensverwachting 11 jaar (m), 14 jaar (v)
IUCN-status “Vulnerable”
CITES Capra hircus aegagrus (III Pakistan) bijlage C. Op specimens van de gedomesticeerde vorm is deze verordening niet van toepassing.

Risicoklasse D, E, F (gedomesticeerde geit) en F (bezoargeit)

Gedomesticeerde geit: Bij de gedomesticeerde geit zijn in ten minste drie risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Vanwege de variatie tussen rassen op LG2 en T1 bestaat er een bandbreedte van D-F.

Bezoargeit: Bezoargeiten zijn in staat ernstige letselschade te veroorzaken bij de mens. Daarnaast zijn in vier risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Om deze redenen valt de bezoargeit onder “risicoklasse F”.

Samenvatting beoordeling van de gedomesticeerde geit en bezoargeit

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (X). Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X).

Gezondheid mens
Risicocategorie Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) ! (signalerend)
  • Bij de bezoargeit zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii, Chlamydia abortus en Mycobacterium bovis aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
  • Bij de gedomesticeerde geit zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii en Chlamydia abortus aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
Letselschade 0-XF (0 tot zeer hoog risico) XF (zeer hoog risico) Bij bezoargeiten en sommige geitenrassen is er gevaar op ernstig letsel bij de mens, waardoor bezoargeiten en sommige geitenrassen direct onder risicoklasse F vallen.
Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
Voedselopname X X
  • De bezoar- en gedomesticeerde geit hebben hypsodonte gebitselementen.
  • Bezoar- en gedomesticeerde geiten moeten dagelijks frequent foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid X X
  • Bezoar- en gedomesticeerde geiten gebruiken een beschutte verstopplaats.
  • Bezoar- en gedomesticeerde geiten gebruiken hoogte-elementen.
Thermoregulatie 0-X X
  • De bezoargeit is aangepast aan een woestijnklimaat.
  • Sommige gedomesticeerde geitenrassen zijn niet aangepast aan een gematigd zeeklimaat.
Sociaal gedrag X X Bezoar- en gedomesticeerde geiten hebben een lineaire dominantiehiërarchie.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
LG1 ! (signalerend) ! (signalerend)

Bij de bezoargeit zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii (Asadi, 2013; Oh et al., 2017; Roest et al., 2011), Chlamydia abortus (Astorga Márquez et al., 2014; Oh et al., 2017; Pospischil et al., 2012; Uiterwijk et al., 2018) en Mycobacterium bovis (Pavlik et al., 2002) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

Bij de gedomesticeerde geit zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii (Asadi, 2013; Oh et al., 2017; Roest et al., 2011) en Chlamydia abortus (Astorga Márquez et al., 2014; Oh et al., 2017; Pospischil et al., 2012; Uiterwijk et al., 2018) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
LG2 0-XF (0 tot zeer hoog risico) XF (zeer hoog risico)

De bezoargeit weegt 45-90 kg (m) of 25-55 kg (v) en beide geslachten beschikken over hoorns van 127-152 cm (m) of c.33 cm (v) (Groves et al., 2011). De hoorns van de mannetjes worden als wapens gebruikt bij onderlinge gevechten. Ze worden gebruikt om zware klappen mee uit te delen, waarbij middels het lichaamsgewicht de kracht achter de aanval wordt vergroot (Shackleton & Shank, 1984). Bezoargeiten zijn wilde dieren en het hanteren van bezoargeiten vereist ervaring en deskundigheid van de houder (Weber, 2015).

Gezien de grootte, morfologie en het gedrag van bezoargeiten kunnen ze zeer ernstig letsel bij de mens veroorzaken, waardoor de bezoargeit direct onder risicoklasse F valt.

Er bestaan veel rassen van gedomesticeerde geiten. Deze kunnen sterk verschillen in lichaamsgrootte en in de grootte en vorm van de horens. De gedomesticeerde geit weegt 9-113 kg, afhankelijk van het geslacht en ras, waarbij het mannetje groter is dan het vrouwtje (Devendra & Haenlein, 2011). Beide geslachten beschikken over hoorns van 20-152 cm lang, afhankelijk van het geslacht en het ras. Mannetjes beschikken over aanzienlijk langere hoorns dan vrouwtjes (Groves et al., 2011). Net als de bezoargeit gebruiken gedomesticeerde geiten hun hoorns als wapen (Shackleton & Shank, 1984).

Op basis van de grootte en morfologie van gedomesticeerde geiten is het niet aannemelijk dat de dieren ernstig letsel zullen veroorzaken bij de mens. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing. Sommige geitenrassen kunnen echter wel ernstig letsel veroorzaken, en vallen derhalve direct onder risicoklasse F.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
V1     De bezoar- en gedomesticeerde geit zijn mixed-feeders, die zowel grassen als browse materiaal eten afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid (Groves et al., 2011; Hofmann, 1989). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2 X X De bezoar- en gedomesticeerde geit hebben hypsodonte kiezen (Ackermans et al., 2018). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V3 X X Bezoar- en gedomesticeerde geiten zijn actief gedurende de dag en ze foerageren bij warm weer hoofdzakelijk in de vroege ochtend en de late middag (Groves et al., 2011). Bezoar- en gedomesticeerde geiten spenderen 42% van de actieve tijd aan foerageren (Nicholson & Husband, 1992). Bezoar- en gedomesticeerde geiten kunnen relatief weinig vet opslaan (15%) en zijn herkauwende mixed-feeders met een hoge passeersnelheid in de pens, waardoor frequent foerageren noodzakelijk is (Hofmann, 1989). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4     Het dieet van bezoar- en gedomesticeerde geiten bestaat uit grassen, struiken en kruiden (Groves et al., 2011; Sarhangzadeh et al., 2013). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
R1     Bezoargeiten leven in kuddes tot 200 individuen en verplaatsen zich seizoensgebonden naar lagergelegen gebieden om diepe sneeuw te vermijden. Bezoargeiten wijken nauwelijks af aan het bewonen van een bepaald gebied (Groves et al., 2011). Bezoar- en gedomesticeerde geiten zijn niet territoriaal (Zohary et al., 1998). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2 X X De jongen van bezoar- en gedomesticeerde geiten gebruiken een beschutte verstopplaats (Lickliter, 1984; Shackleton & Shank, 1984). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R3     Bezoargeiten hebben een sterke vluchtreactie, maar vluchten als behendige klimmers doelgericht naar hoge plekken via steile rotshellingen (Nawaz et al., 2004; Olsson & Hydbring-Sandberg, 2011; Sarhangzadeh et al., 2013). Gedomesticeerde geiten zijn erg nieuwsgierig en raken niet snel in paniek als er iets onverwachts gebeurt. Ze raken gealarmeerd wanneer ze gevaar waarnemen, maar proberen niet blindelings weg te komen (Olsson & Hydbring-Sandberg, 2011). Bij gedomesticeerde geiten is de vluchtreactie onderdrukt (Zohary et al., 1998). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R4     Bezoar- en gedomesticeerde geiten gebruiken geen holen of kuilen (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R5 X X Bezoargeiten leven in een habitat met hoogte-elementen, die zij als toevluchtsoord bij tekenen van gevaar gebruiken en zijn morfologisch aangepast aan leven op ruig terrein (Morovati et al., 2014; Sarhangzadeh et al., 2013; Zohary et al., 1998). Gedomesticeerde geiten gebruiken hoogte-elementen. Ze zullen klimmen als ze de kans krijgen, zoeken hun rustplaats graag hogerop en plateaus in het verblijf zorgen voor minder verstoring in de groep tussen etende en rustende individuen (Verwer & van Eekeren, 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
T1 0-X X

Bezoargeiten leven in een woestijnklimaat (Groves et al., 2011; Schultz, 2005). De gemiddelde minimumtemperatuur in het Zagros gebergte in Centraal-Iran waar bezoargeiten voorkomen is 2 °C (met een uiterste minimumtemperatuur van -9 °C) en de gemiddelde maximumtemperatuur is 18 °C (met een uiterste maximumtemperatuur van 44 °C). De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid is 100-800 mm (Meteoblue, 2021; Morovati et al., 2014; Sarhangzadeh et al., 2013; Schultz, 2005). Het natuurlijke leefgebied kenmerkt zich door hete, droge zomers, koude winters en weinig regenval (Morovati et al., 2014). Bezoargeiten hebben geen vetlaag op hun vacht en kunnen daarom slecht tegen nat weer (Devendra & Haenlein, 2011)

De bezoargeit is aangepast aan een woestijnklimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

Gedomesticeerde geiten hebben ook geen vetlaag op hun vacht en kunnen daarom slecht tegen nat weer (Devendra & Haenlein, 2011). Een schuilmogelijkheid is daarom noodzakelijk (Verwer & van Eekeren, 2011). Bij een te hoge relatieve luchtvochtigheid (>80%) is er een hoger risico op luchtwegaandoeningen bij gedomesticeerde geiten. De jongen van geiten hebben de eerste 5 levensweken een nagenoeg tochtvrij verblijf nodig (Vicca et al., 2016).

Bij sommige geitenrassen bestaat het gevaar van onderkoeling in een gematigd zeeklimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing op sommige rassen.

T2     Uit gedetailleerd gedragsonderzoek is niet gebleken dat bezoar- en gedomesticeerde geiten gebruik maken van een speciale zoel-, koel- of opwarmplaats (Nawaz et al., 2004; Sarhangzadeh et al., 2013). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3     Bezoar- en gedomesticeerde geiten zijn jaarrond actief (Groves et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Gedomesticeerde geit Wild Toelichting
S1     Bezoar- en gedomesticeerde geiten hebben een polygame leefwijze (Groves et al., 2011; Nicholson & Husband, 1992). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X X Bezoargeiten leven in de zomer in groepen van hetzelfde geslacht afgezonderd van elkaar tot aan de bronst. Tijdens de bronst voegen de dominante mannetjes zich bij vrouwtjeskuddes en de gemengde kuddes blijven in stand tot en met het voorjaar. De meeste mannetjes vormen dan bachelorgroepen van gelijke leeftijd en sociale status. In grote populaties in open landschappen komen gemengde kuddes voor van 100-200 individuen (Groves et al., 2011; Nicholson & Husband, 1992). De groepssamenstelling is instabiel (Nicholson & Husband, 1992). Oude mannetjes nemen de hoogste dominantiepositie in. Er is sprake van een lineaire dominantiehiërarchie (Nicholson & Husband, 1992). In kuddeverband vormen gedomesticeerdegeiten een stabiele lineaire dominantiehiërarchie, waarbij de grootste en oudste dieren met hoorns de hoogste posities hebben (Barroso, 2000). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3     Vrouwelijke bezoargeiten zijn vanaf 2-3 jaar geslachtsrijp en kunnen 1-2 keer per jaar werpen. Vrouwtjes zijn 150-160 dagen drachtig en krijgen per worp twee jongen. Bezoargeiten hebben een paarseizoen in het najaar tot in februari (Groves et al., 2011). Bezoargeiten hebben geen grote kans op overbevolking. Vrouwelijke gedomesticeerde geiten zijn vanaf 2-3 jaar geslachtsrijp en kunnen 1-3 keer per jaar werpen. Vrouwtjes zijn c.150 dagen drachtig en krijgen per worp twee jongen. De meeste gedomesticeerde geitenrassen hebben een paarseizoen in juni-november, maar (sub)tropische rassen kunnen zich jaarrond voortplanten (Amoah et al., 1996; Devendra & Haenlein, 2011). Gedomesticeerde geiten hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Ackermans, N. L., Clauss, M., Winkler, D. E., Schulz-Kornas, E., Kaiser, T. M., Müller, D. W., Kircher, P.  R., Hummel, J. & Hatt, J. (2018). Root growth compensates for molar wear in adult goats (Capraaegagrus hircus). Journal of Experimental Zoology. 331(2). 139-148.

Amills et al. 2017. Goat domestication and breeding: a jigsaw of historical, biological and molecular data with missing pieces. Animal Genetics 48(6): 631-644. https://doi.org/10.1111/age.12598

Amoah, E. A., Gelaye, S., Guthrie, P. & Rexroad, C. E. (1996). Breeding season and aspects of reproduction of female goats. Journal of Animal Science. 74. 723-728.

Asadi, J., Kafi, M. & Khalili, M. (2013). Seroprevalence of Q fever in sheep and goat flocks with a history of abortion in Iran between 2011 en 2012. Veterinaria Italiana. 49(2). 163-168.

Astorga Márquez, R. J., Carvajal, A., Maldonado, A., Gordon, S. V., Salas, R., Gómez-Guillamón, F., Sánchez-Baro, A., López-Sebastián, A. & Santiago-Moreno, J. (2014). Influence of cohabitation between domestic goat (Capra aegagrus hircus) and Iberian ibex (Capra pyrenaica hispanica) onseroprevalence of infectious diseases. European Journal of Wildlife Research. 60. 387-390.

Barroso, F. G., Alados, C. L. & Boza, J. (2000). Social hierarchy in the domestic goat: effect on food habits and production. Applied Animal Behaviour Science. 69. 35-53.

Devendra, C. & Haenlein, G. F. W. (2011). Animals that Produce Dairy Foods | Goat Breeds. In J. W. Fuquay, Encyclopedia of Dairy Sciences (2nd ed. pp. 310-324). Amsterdam: Elsevier.

Dong, Y., Zhang, Z., Xie, M., Arefnezhad, B., Wang, Z., Wang, W., Feng, S., Huang, G., Guan, R., Shen, W., Bunch, R., McCulloch, R., Li, Q., Li, B., Zhang, G., Xu, X., Kijas, J. W., Hosseini, G., Salekdeh, G. H., Wang, W. & Jiang, Y. (2015). Reference genome of wild goat (Capra aegagrus) and sequencing of goat breeds provide insight into genic basis of goat domestication. BMC Genomics. 16(431). 1-11.

Groves, C. P., Leslie Jr., D. M., Huffman, B. A., Valdez, R., Habibi, K., Weinberg, P. J., Burton, J. A., Jarman, P. J. & Robichaud, W. G. (2011). Family Bovidae (Hollow-horned Ruminants). In D. E. Wilson & R. A. Mittermeier, Handbook of the mammals of the world (pp. 444-779). Barcelona: Lynx Edicions.

Hofmann, R. R. (1989). Evolutionary steps of ecophysiological adaptation and diversification of ruminants: a comparative view of their digestive system. Oecologia. 78. 443-457.

Lallo, C.H.O., Paul, I. & Bourne, G. 2012. Thermoregulation and performance of British Anglo-Nubian and Saanen goats reared in an intensive system in Trinidad. Trop Anim Health Prod 44: 491–496. https://doi.org/10.1007/s11250-011-9924-z

Lickliter, R. E. (1984). Hiding behavior in domestic goat kids. Applied Animal Behaviour Science. 12. 245-251.

Meteoblue. (2021). Zagros Mountains, Iran. Opgehaald van Meteoblue: https://www.meteoblue.com/en/weather/historyclimate/climatemodelled/zag….

Morovati, M., Karami, M. & Kaboli, M. (2014). Desirable areas and effective environmental factors of wild goat habitat (Capra aegagrus). International Journal of Environmental Research. 8(4). 1031-1040.

Nawaz, M. A., Khan, B. & Hasan, H. (2004). Response of Sindh ibex (Capra aegagrus blythi) to petroleum exploration in Khirthar National Park, Pakistan. Society of Petroleum Engineers Inc. 1-9.

Nicholson, M. C. & Husband, T. P. (1992). Diurnal behavior of the Agrimini, Capra aegagrus. Journal of Mammalogy. 73(1). 135-142.

Oh, S., Kim, H., Byun, J., Chae, M., Kim, J. H., Lee, Y., Jo, B. S., Yoon, J. & Kim, J. W. (2017). A survey of major infectious causes of abortion in native Korean goats (Capra hircus coreanae) in Jeonnam Province, Korea. Journal of Preventive Veterinary Medicine. 41(1). 47-51.

Olsson, K. & Hydbring-Sandberg, E. (2011). Exposure to a dog elicits different cardiovascular and behavioral effects in pregnant and lactating goats. Acta Veterinaria Scandinavica. 53(1). 60.

Pavlik, I., Machackova, M., Yayo Ayele, W., Lamka, J., Parmova, I., Melicharek, I., Hanzlikova, M., Körmendy, B., Nagy, G., Cvetnic, Z., Ocepek, M. & Lipiec, M. (2002). Incidence of bovine tuberculosis in wild and domestic animals other than cattle in six Central European countries during 1990-1999. Vet Med – Czech. 47(5). 122-131.

Pospischil, A., Kaiser, C., Hofmann-Lehmann, R., Lutz, H., Hilbe, M., Vaughan, L. & Borel, N. (2012). Evidence for Chlamydia in Wild Mammals of the Serengeti. Journal of Wildlife Diseases. 48(4). 1074-1078.

Roest, H. I., Tilburg, J. J., van der Hoek, W., Vellema, P., van Zijderveld, F. G., Klaassen, C. H. & Raoult, D. (2011). The Q fever epidemic in the Netherlands: history, onset, response and reflection. Epidemiology and Infection. 139. 1-12.

Sarhangzadeh, J., Yavari, A. R., Hemami, M. R., Jafari, H. R. & Shams-Esfandabad, B. (2013). Habitat suitability modeling for wild goat (Capra aegagrus) in a mountainous arid area, central Iran. Caspian Journal of Environmental Sciences. 11(1). 41-51.

Scheu, A. 2018. Neolithic animal domestication as seen from ancient DNA. Quaternary International 496: 102-107.

Schultz, J. (2005). The ecozones of the world, the ecological divisions of the geosphere. Aachen, Germany: Springer.

Shackleton, D. M. & Shank, C. C. (1984). A review of the social behavior of feral and wild sheep and goats. Journal of Animal Science. 58(2). 500-509.

Talenti et al 2017. The Valdostana goat: a genome-wide investigation of the distinctiveness of its selective sweep regions. Mamm. Genome 28:114–128. DOI 10.1007/s00335-017-9678-7.

Uiterwijk, M., Ingrid, K., Friesema, I., Rozendaal, H., Holtslag, M., van den Kerkhof, H., Kortbeek, T. & Maassen, K. (2018). Staat van Zoönosen 2017. RIVM.

Verwer, C. & van Eekeren, N. (2011). Omgevingsverrijking voor geiten. Wageningen: Wageningen UR.

Vicca, J., Govaerts, W. & Verwer, C. (2016). Lichtintensiteit kan op veel melkgeitenbedrijven nog verbeterd worden: Klimaatrichtlijnen voor melkgeitenbedrijven op basis van welzijnsonderzoek. Kruishoutem: CCBT.

Weber, M. A. (2015). Chapter 64 - Sheep, Goats, and Goat-Like Animals. In E. Miller & M. Fowler, Fowler's Zoo and Wild Animal Medicine, Volume 8 (pp. 645-649). Columbia en Davis: Saunders.

Zohary, D., Tchernov, E. & Horwitz, L. K. (1998). The role of unconscious selection in the domestication of sheep and goats. Journal of Zoology London. 245. 129-135.

Bent u tevreden over deze pagina?