Kiang

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Rubenstein, 2011; St-Louis & Côte, 2009)
Familie Equidae
Subfamilie -
Genus Equus
Soort Equus kiang
Ondersoorten E. k. kiang (westelijke kiang)
E. k. holdereri (oostelijke kiang)
E. k. polyodon (zuidelijke kiang)
Gedomesticeerd Nee
Kruising Nee
Volwassen grootte
  • Kop-romp: 182-214 cm
  • Schofthoogte: 132-142 cm
Gewicht 250-400 kg
Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Tibetaans plateau van centraal Azië op een hoogte van 2700-5300 m.
  • Habitat: Alpenweide (tot 4500 m, waar meer dan 400 mm neerslag per jaar valt), alpensteppe en woestijnsteppe.
Levensverwachting 20 jaar wild
IUCN-status “Least Concern”
CITES Bijlage A

Risicoklasse F

Kiangs zijn in staat ernstige letselschade te veroorzaken bij de mens. Daarnaast zijn in vier risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Om deze reden valt de kiang onder “risicoklasse F”.

Samenvatting beoordeling van de kiang

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (X). Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X).

Gezondheid mens
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over het aan- of afwezig zijn van (zeer) hoog-risico zoönotische pathogenen, maar bij sympatrische en aanverwante Equidae soorten zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii, het Crimean-Conto hemorrhagic fever virus, Leptospira interrogans, Mycobacterium vovis, het Rift Valley fever virus, het rabiësvirus, het Hendra virus en het Borna virus aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
Letselschade XF  Bij kiangs is er gevaar op zeer ernstig letsel bij de mens, waardoor de kiang direct onder risicoklasse F valt.

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X
  • De kiang heeft hypsodonte gebitselementen.
  • Kiangs moeten dagelijks langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid X
  • Kiangs hebben een grote home range en vertonen territoriaal markeergedrag.
  • Kiangs hebben een sterke vluchtreactie.
Thermoregulatie X De kiang is aangepast aan een koud steppeklimaat.
Sociaal gedrag X Kiangs hebben een despotische dominantiehiërarchie.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG1 ! (signalerend) Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over het aan- of afwezig zijn van (zeer) hoog-risico zoönotische pathogenen, maar bij sympatrische en aanverwante Equidae soorten zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii (Marenzoni et al., 2013), het Crimean-Congo hemorrhagic fever virus (Burt et al., 1993), Leptospira interrogans (Anderson & Rowe, 1998), Mycobacterium bovis (Keck et al., 2010), het Rift Valley fever virus (Evans et al., 2008), het rabiësvirus (Swanepoel et al., 1993), het Hendra virus (Playford et al., 2010) en het Borna virus (Ludwig & Theinn, 1977) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2 XF 

De kiang weegt 250-400 kg. Mannelijke kiangs kunnen zich agressief opstellen naar mensen toe (Janssen & Allen, 2014; Rubenstein, 2011). Niet gedomesticeerde paardachtigen kunnen gericht schoppen en bijten, en halen veel sneller uit dan gedomesticeerde paarden. Volwassen dieren zijn niet in bedwang te houden zonder risico op schade bij de hanteerder of het dier. Ze moeten gesedeerd worden om ze te kunnen verplaatsen of behandelen (Fowler, 1995).

Gezien de grootte, morfologie en het gedrag van kiangs kunnen ze zeer ernstig letsel bij de mens veroorzaken, waardoor de kiang direct onder risicoklasse F valt.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   De kiang is een grazer (Mendoza & Palmqvist, 2007; St-Louis & Côte, 2012). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2 X De kiang heeft hypsodonte kiezen (Mendoza & Palmqvist, 2007; Taylor et al., 2016). De risicofactor is van toepassing.
V3 X Kiangs besteden, afhankelijk van het seizoen, 30-70% van hun tijd aan foerageren (St-Louis & Côte, 2012). Kiangs zijn niet-herkauwende grazers met een hoge passeersnelheid in de achterdarm, waardoor langdurig foerageren noodzakelijk is (Bunnell & Gillingham, 1985; Janis, 1976). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van kiangs bestaat uit een grote variatie aan grassen (voornamelijk vedergras), andere kruidachtige planten en struiken (Rubenstein, 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1 X Kiangs hebben een homerange van 0,2-10 km2. Mannetjes zijn agressief en verdedigen hun territorium tegen indringers. Ook markeren ze de grenzen van hun territorium met urine en feces (Paklina & van Orden, 2007; Rubenstein, 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R2   Kiangs gebruiken geen afgezonderde nestplaats (Rubenstein, 2011; Xu et al., 2013). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R3 X Kiangs leven op open vlaktes en kunnen onvoorspelbaar reageren (Janssen & Allen, 2014; St-Louis & Côte, 2009). Ze zijn gevoelig voor de aanwezigheid van mensen en zullen wegvluchten wanneer een mens hen benadert (Chanchani et al., 2010; Kannan & Parsons, 2017). Botsingen met hekken kunnen bij paardachtigen schedel- en wervenfracturen veroorzaken, uitglijden en vallen kan leiden tot botbreuken en schade aan zacht weefsel (Janssen & Allen, 2014). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R4   Kiangs gebruiken geen holen of kuilen (Rubenstein, 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R5   Voor kiangs zijn er geen specifieke omgevingselementen essentieel (Rubenstein, 2011; Xu, et al., 2013). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 X

Kiangs leven in een koud steppeklimaat (Rubenstein, 2011; Schultz, 2005). De gemiddelde minimumtemperatuur op het Tibetaans Plateau waar kiangs voorkomen is -7 °C (met een uiterste minimumtemperatuur van -29 °C) en de gemiddelde maximumtemperatuur is 5 °C (met een uiterste maximumtemperatuur van 36 °C). De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid is 150-400 mm en de luchtvochtigheid is gemiddeld 40% (Meteoblue, 2021; Rubenstein, 2011; Schultz, 2005; Yang et al., 2019).

De kiang is aangepast aan een koud steppeklimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

T2   Uit gedetailleerd gedragsonderzoek is niet gebleken dat kiangs speciale zoel-, koel- of opwarmplaatsen gebruiken (Rubenstein, 2011; Sharma et al., 2004; St-Louis & Coté, 2009). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3   Kiangs zijn jaarrond actief (Bhatnagar et al., 2006). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Kiangs hebben een polygame leefwijze (Boyd et al., 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Kiangs leven afhankelijk van het seizoen in flexibele groepen of solitair. Alleen vrouwtjes met hun jong hebben een vast groepsverband. Kiangs kunnen tijdelijke kuddes van 160-1000 individuen vormen. Kiangs hebben een sociaal systeem waarbij enkele dominante mannetjes territoria verdedigen. Overige mannetjes leven in flexibele bachelorgroepen. Territoriale mannetjes zijn dominant over bachelor mannetjes. Er is sprake van een despotische dominantiehiërarchie (Boyd et al., 2016; Rubenstein, 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3   Vrouwtjes zijn vanaf 3-4 jaar geslachtsrijp en kunnen 1 keer per 2 jaar werpen. Vrouwtjes zijn 11-12 maanden drachtig en krijgen per worp 1 jong. Kiangs hebben een paarseizoen van eind juli t/m eind augustus (Rubenstein, 2011). Kiangs hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Anderson, E. C. & Rowe, L. W. (1998). The prevalence of antibody to the viruses of bovine virus diarrhoea, bovine herpes virus 1, rift valley fever, ephemeral fever and bluetongue and to Leptospira sp in free-ranging wildlife in Zimbabwe. Epidemiology & Infection. 121(2). 441-449.

Bhatnagar, Y., Wangchuk, R. & Prins, H. (2006). Perceived Conflicts Between Pastoralism and Conservation of the Kiang Equus kiang in the Ladakh Trans-Himalaya. Environmental Management. 934-941.

Boyd, L., Scorolli, A., Nowzari, H. & Bouskila, A. (2016). Chapter 2. Social Organization of Wild Equids. In: J. I. Ransom & P. Kaczensky, Wild equids: Ecology, management, and conservation, Part I Ecology (pp. 7-22). Baltimore: JHU Press.

Bunnell, F. L. & Gillingham, M. P. (2018). Chapter 3 - Foraging Behavior: Dynamics of Dining Out. In: R. J. Hudson & R. G. White, Bioenergetics of Wild Herbivores (pp. 53-79). CRC Press.

Burt, F. J., Swanepoel, R. & Braack, L. E. O. (1993). Enzyme-linked immunosorbent assays for the detection of antibody to Crimean-Congo haemorrhagic fever virus in the sera of livestock and wild vertebrates. Epidemiology & Infection. 111(3). 547-558.

Chanchani, P., Rawat, G. & Goyal, S. (2010). Unveiling a wildlife haven: status and distribution of four Trans-Himalayan ungulates in Sikkim, India. Oryx. 44(3). 366-375.

Evans, A., Gakuya, F., Paweska, J. T., Rostal, M., Akoolo, L., Van Vuren, P. J., Manyibe, T., Macharia, J. M., Ksiazek, T. G., Feikin, D. R., Breiman, R. F. & Kariuki Njenga, M. (2008). Prevalence of antibodies against Rift Valley fever virus in Kenyan wildlife. Epidemiology & Infection. 136(9). 1261-1269.

Fowler, M. (1995). Chapter 23 Hoofed Stock. In M. Fowler, Restraint and handling of wild and domestic animals (pp. 270-303). Hoboken: Wiley-Blackwell.

Janis, C. (1976). The evolutionary strategy of the Equidae and the origins of rumen and cecal digestion. Evolution. 757-774.

Janssen, D. L. & Allen, J. L. (2014). Chapter 57 - Equidae. In E.R. Miller & M.E. Fowler, Fowler's Zoo and Wild Animal Medicine, Volume 8 (E-Book) (pp. 559-567).

Kannan, P. & Parsons, M. (2017). Social Class and Group Size as Predictors of Behavior in Male Equus kiang. Animal Behavior and Cognition. 4(4). 442-454.

Keck, N., Dutruel, H., Smyej, F., Nodet, M. & Boschiroli, M. L. (2010). Tuberculosis due to Mycobacterium bovis in a Camargue horse. Veterinary Record. 166(16). 499-500.

Ludwig, H. & Theinn, P. (1977). Demonstration of specific antibodies in the central nervous system of horses naturally infected with Borna disease virus. Medical Microbiology and Immunology. 163(4). 215-226.

Marenzoni, M. L., Stefanetti, V., Papa, P., Proietti, P. C., Bietta, A., Coletti, M., Passamonti, F. & Henning, K. (2013). Is the horse a reservoir or an indicator of Coxiella burnetii infection? Systematic review and biomolecular investigation. Veterinary Microbiology. 167(3-4). 662-669.

Mendoza, M. & Palmqvist, P. (2007). Hypsodonty in ungulates: an adaptation for grass consumption or for foraging in open habitats? Journal of Zoology. 274(2). 1-9.

Meteoblue. (2021). Nima, Tibet, China. Opgehaald van Meteoblue: https://www.meteoblue.com/en/weather/historyclimate/climatemodelled/nim….

Paklina, N. V. & van Orden, C. (2007). Territorial Behaviour of Kiang (Equus kiang Moorcroft, 1841) in Ladakh (India). Erforsch Biol Ress Mongolei (Halle/Saale). 10. 205-211.

Playford, E. G., McCall, B., Smith, G., Slinko, V., Allen, G., Smith, I., Moore, F., Taylor, C., Kung, Y. & Field, H. E. (2010). Human Hendra virus encephalitis associated with equine outbreak, Australia, 2008. Emerging Infectious Diseases. 16(2). 219-223.

Rubenstein, D. (2011). Family Equidae (Horses and relatives). In D. Wilson & R. Mittermeier, Handbook of the mammals of the world volume 2: Hoofed mammals (pp. 106-143). Barcelona: Lynx.

Sharma, B. D., Clevers, J., De Graaf, R. & Chapagain, N. R. (2004). Mapping Equus kiang (Tibetan Wild Ass) Habitat in Surkhang, Upper Mustang, Nepal. Mountain Research and Development. 24(2). 149-156.

Schultz, J. (2005). The ecozones of the world, The Ecological Divisions of the Geosphere (2 ed.). Berlin: Springer.

St-Louis, A. & Côte, S. (2009). Equus kiang (Perissodactyla: Equidae). Mammalian Species. 1-11.

St-Louis, A. & Côte, S. (2012). Foraging behaviour at multiple temporal scales in a wild alpine equid. Oecologia. 167-176.

Swanepoel, R., Barnard, B. J. H., Meredith, C. D., Bishop, G., Bruckner, G. K., Foggin, C. M. & Hubschle, O. J. B. (1993). Rabies in southern Africa. Onderstepoort Journal of Veterinary Research. 60. 325-325.

Taylor, L., Müller, D. & Schwitzer, C. (2016). Comparative analyses of tooth wear in free-ranging and captive wild equids. Equine Veterinary Journal. 240-245.

Xu, F., Ma, M., Yang, W., Blank, D., Ding, P. & Zhang, T. (2013). Group size effect on vigilance and daytime activity budgets of the Equus kiang (Equidae, Perissodactyla) in Arjinshan National Nature Reserve, Xinjiang, China. Folia Zoologica. 62(1). 76-78.

Yang, F., Shao, Q. & Jiang, Z. (2019). A Population Census of Large Herbivores Based on UAV and Its Effects on Grazing Pressure in the Yellow-River-Source National Park, China. International Journal of Environmental Research and Public Health. 16(22). 4402.

Bent u tevreden over deze pagina?