Paard

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Davidson & Harris, 2003; Brooks et al., 2010; Stephens & Splan, 2013; Pugh et al., 2017; McGreevy & Yeates, 2019; FAO, 2020)
Familie Equidae
Subfamilie -
Genus Equus
Soort Equus caballus
Gedomesticeerd Ja, paarden worden vanaf ca. 5500 jaar geleden gehouden en gedomesticeerd (Orlando 2019; Song et al. 2017).
Kruising Nee
Volwassen grootte Schofthoogte: circa 85 cm (klein ras), circa 175 cm (groot ras)
Gewicht Verschillend; een klein ras als het Amerikaans minipaard weegt 24-90 kg , een groot ras als een Shire weegt circa 910 kg.
Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: wordt wereldwijd gehouden.
  • Habitat: n.v.t.
Levensverwachting 20 jaar
IUCN-status n.v.t.
CITES Niet vermeld

Risicoklasse C-F

Bij het paard zijn in ten minste twee risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Vanwege de variatie binnen rassen op LG2, R3 en T1 bestaat er een bandbreedte van risicoklasse C tot en met F.

Samenvatting beoordeling van het paard

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (!), maar telt deze niet mee in de eindscore. Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X).

Gezondheid mens
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) Bij het paard zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii, het Crimean-Congo hemorrhagic fever virus, Leptospira interrogans, Mycobacterium bovis, het Rift Valley fever virus, het rabiësvirus, het Hendra virus en het Borna virus aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
Letselschade 0-XF Bij sommige rassen is er gevaar op zeer ernstig letsel bij de mens, waardoor sommige rassen direct onder risicoklasse F vallen.

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X
  • Het paard heeft hypsodonte gebitselementen.
  • Paarden moeten langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid 0-X Sommige rassen hebben een sterke vluchtreactie.
Thermoregulatie 0-X Sommige paardenrassen zijn niet aangepast aan een gematigd zeeklimaat.
Sociaal gedrag X Paarden hebben een lineaire dominantiehiërarchie.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG1 ! (signalerend) Bij het paard zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Coxiella burnetii (Marenzoni et al., 2013), het Crimean-Congo hemorrhagic fever virus (Tantawi et al., 1981), Leptospira interrogans (Wollanke et al., 2001), Mycobacterium bovis (Keck et al., 2010), het Rift Valley fever virus (Olaleye et al., 1996), het rabiësvirus (Sabeta & Randles, 2005), het Hendra virus (Playford et al., 2010) en het Borna virus (Ludwig & Theinn, 1977) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2 0-XF 

Het paard weegt 18-1088 kg, afhankelijk van het ras. Het kleinste ras, de Falabella, weegt slechts 18 kg, heeft een schofthoogte van 63,5 cm en is zeer makkelijk te hanteren. Het grootste ras, de Shire, weegt tot 1088 kg en kan een schofthoogte tot 182 cm hebben. Paarden kunnen gericht schoppen en bijten. Bovendien hebben ze een complexe sociale structuur, waardoor het gedrag onvoorspelbaar kan zijn. Sommige rassen zijn temperamentvol waardoor de onvoorspelbaarheid en kans op letsel bij de mens toeneemt (van Dierendonck, 2006; Fowler, 1995; Hartmann et al., 2017; McGreevy, 2004).

Op basis van het gedrag van paarden is het niet aannemelijk dat dieren van de meeste rassen ernstig letsel zullen veroorzaken bij de mens. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing. Sommige paardenrassen kunnen echter wel ernstig letsel veroorzaken, en vallen derhalve onder risicoklasse F.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   Het paard is een grazer (Davidson & Harris, 2003). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2 X Het paard heeft hypsodonte kiezen (Klugh, 2010). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V3 X Paarden besteden 40-60% van ieder etmaal aan foerageren (Ellis, 2010). Paarden zijn niet-herkauwende grazers met een hoge passeersnelheid in de achterdarm, waardoor langdurig foerageren noodzakelijk is (Bunnell & Gillingham, 1985; Janis, 1976). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van paarden bestaat uit een grote variatie aan grassen en in kleine mate browse materiaal (Davidson & Harris, 2003). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1   Paarden hebben overlappende leefgebieden en verdedigen deze niet. Mannetjes patrouilleren alleen in een kleine straal om hun groep. Ze markeren in ditzelfde gebied en niet zozeer aan de grenzen van het leefgebied (McGreevy, 2004; Waring, 2003). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2   Paarden gebruiken geen afgezonderde nestplaats (McGreevy, 2004). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R3 0-X Paarden hebben een sterke vluchtreactie en kunnen onvoorspelbaar reageren (McGreevy et al., 2018). Sommige rassen, zoals pony’s en trekpaarden, zijn over het algemeen rustiger van aard en zullen minder snel schrikken (Owen et al., 2012). Botsingen met hekken kunnen bij paardachtigen schedel- en wervelfracturen veroorzaken, uitglijden en vallen kan leiden tot botbreuken en schade aan zacht weefsel (Janssen & Allen, 2014; Platt, 1982; Redondo et al., 2009). Dit risico is afhankelijk van het ras, aangezien stevigere rassen zoals Shetland-pony’s en cob-maten raken minder vaak gewond dan volbloedrassen (Fureix et al., 2012; Owen et al., 2012). Bij sommige paardenrassen bestaat er gevaar op letsel wegens vluchtgedrag. Deze risicofactor is daarom van toepassing op sommige rassen.
R4   Paarden gebruiken geen holen of kuilen (McGreevy, 2004; Rubenstein, 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R5   Voor paarden zijn er geen specifieke omgevingselementen essentieel (McGreevy, 2004). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 0-X

Paarden komen al millennia lang voor in grote delen van Europa, waaronder ook gebieden met een gematigd zeeklimaat (Leonardi et al., 2018). De thermoneutrale zone van paarden is afhankelijk van leeftijd, ras, fysiologische status, acclimatisatie, vachtkwaliteit, voeding en lichaamsconditie (Mejdell et al., 2020). Koudbloedrassen zijn over het algemeen steviger, met een dikkere vacht en huidlaag om ze warm te houden in koude klimaten (Langlois, 1994; Osthaus et al., 2018). Warmbloedrassen hebben een dunnere vacht, vet en huidlaag, waardoor ze een groter risico lopen op onderkoeling in koudere klimaten (Langlois, 1994; Autio, 2008). In het algemeen wordt de thermoneutrale zone van paarden geschat op 5 tot 25°C (Morgan, 1998). Voor paarden die geacclimatiseerd waren aan winters weer (-10 tot 0°C) lag de thermoneutrale zone tussen de -15°C en +10°C (McBride et al., 1984). Paarden hebben een waterafstotende vacht, die dikker wordt in de winter en dunner in de lente. Paarden kunnen zweten om af te koelen (McDonald et al., 2009; Mejdell et al., 2020).

Bij sommige rassen bestaat er gevaar op onderkoeling in een gematigd zeeklimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing op sommige rassen.

T2   Uit gedetailleerd gedragsonderzoek is niet gebleken dat paarden gebruik maken van een speciale zoel-, koel- of opwarmplaats (McGreevy, 2004; Snoeks et al., 2015). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3   Paarden zijn jaarrond actief (McGreevy, 2004). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Paarden hebben een polygame leefwijze (McGreevy, 2004). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Paarden leven in familiegroepen en bachelorgroepen. Familiegroepen bestaan uit één of meerdere mannetjes met meerdere vrouwtjes en hun jongen. Er is sprake van een lineaire dominantiehiërarchie, maar in het midden van de hiërarchie komen wel eens sociale driehoeken voor (van Dierendonck, 2006; Hartmann et al., 2007; McGreevy, 2004). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3   Vrouwtjes zijn vanaf 12-15 maanden geslachtsrijp, afhankelijk van wanneer ze zijn geboren. Wanneer ze in niet in de lente zijn geboren, kunnen ze eerder dan 12 maanden vruchtbaar zijn. Vrouwtjes zijn seizoensgebonden poly-oestrisch en kunnen 1 keer per 1-2 jaar werpen. Vrouwtjes zijn c.340 dagen drachtig en krijgen per worp meestal 1 jong. Paarden hebben een paarseizoen van ongeveer 152 dagen gedurende de lente en zomer. In de herfst en winter zijn de meeste vrouwtjes niet vruchtbaar (McGreevy, 2004). Paarden hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Autio, E. (2008). Loose housing of horses in a cold climate. Kuopion yliopiston julkaisuja C. Luonnontieteet ja ympäristötieteet, 245.

Brooks, S. A., Makvandi‐Nejad, S., Chu, E., Allen, J. J., Streeter, C., Gu, E., McCleery, B., Murphy, B. A., Bellone, R. & Sutter, N. B. (2010). Morphological variation in the horse: defining complex traits of body size and shape. Animal Genetics. 41(2). 159-165.

Bunnell, F. L. & Gillingham, M. P. (1985). Foraging behavior: dynamics of dining out. In: R. J. Hudson & R.G White, Bioenergetics of wild herbivores (pp. 53-79). CRC Press.

Davidson, N. & Harris, P. (2003). Nutrition and Welfare. In: N. Waran, The Welfare of Horses (pp. 45-76). Dordrecht: Kluwer Academic Publishers.

van Dierendonck, M. C. (2006). The importance of social relationships in horses. Doctoral dissertation, Universiteit Utrecht.

Ellis, A. D. (2010). Biological basis of behaviour and feed intake. In: A. D. Ellis, A. C. Longland & M. Coenen, The impact of nutrition on the health and welfare of horses. Wageningen Academic Publishers.

FAO (2020). FAOstat – Live animals. Geraadpleegd: 29-09-2020. http://www.fao.org/faostat/en/#data/QA

Fowler, M. (1995). Chapter 23 Hoofed Stock. In M. Fowler, Restraint and handling of wild and domestic animals (pp. 270-303). Hoboken: Wiley-Blackwell.

Fureix, C., Bourjade, M., Henry, S., Sankey, C., & Hausberger, M. (2012). Exploring aggression regulation in managed groups of horses Equus caballus. Applied Animal Behaviour Science, 138(3-4), 216-228.

Hartmann, E., Christensen, J. W. & McGreevy, P. D. (2017). Dominance and Leadership: Useful Concepts in Human-Horse Interactions? Journal of Equine Veterinary Science. 52. 1-9.

Janis, C. (1976). The evolutionary strategy of the Equidae and the origins of rumen and cecal digestion. Evolution. 757-774.

Janssen, D. L. & Allen, J. L. (2014). Chapter 57 - Equidae. In E. R. Miller & M. E. Fowler, Fowler's Zoo and Wild Animal Medicine, Volume 8 (E-Book) (pp. 559-567).

Keck, N., Dutruel, H., Smyej, F., Nodet, M. & Boschiroli, M. L. (2010). Tuberculosis due to Mycobacterium bovis in a Camargue horse. Veterinary Record. 166(16). 499-500.

Klugh, D. O. (2010). The evolution of the hypsodont tooth. In: D. O. Klugh, Principles of equine dentistry (pp. 7-10). CRC press.

Langlois, B. (1994). Inter-breed variation in the horse with regard to cold adaptation: a review. Livestock Production Science, 40(1), 1-7.

Leonardi, M., Boschin, F., Giampoudakis, K., Beyer, R. M., Krapp, M., Bendrey, R., Sommer, R., Boscato, P., Manica, A., Nogues-Bravo, D. & & Orlando, L. (2018). Late Quaternary horses in Eurasia in the face of climate and vegetation change. Science Advances. 4(7). eaar5589.

Ludwig, H. & Theinn, P. (1977). Demonstration of specific antibodies in the central nervous system of horses naturally infected with Borna disease virus. Medical Microbiology and Immunology 163(4) 215-226.

Marenzoni, M. L., Stefanetti, V., Papa, P., Proietti, P. C., Bietta, A., Coletti, M., Passamonti, F. & Henning, K. (2013). Is the horse a reservoir or an indicator of Coxiella burnetii infection? Systematic review and biomolecular investigation. Veterinary Microbiology. 167(3-4). 662-669.

McBride, G. E., Christopherson, R. J. & Sauer, W. (1985). Metabolic rate and plasma thyroid hormone concentrations of mature horses in response to changes in ambient temperature. Canadian Journal of Animal Science. 65(2). 375-382.

McDonald, R. E., Fleming, R. I., Beeley, J. G., Bovell, D. L., Lu, J. R., Zhao, X., Cooper, A. & Kennedy, M. W. (2009) Latherin: A Surfactant Protein of Horse Sweat and Saliva. PLoS ONE. 4(5). e5726.

McGreevy, P. (2004). Equine behavior: A guide for veterinarians and equine scientists. Saunders ltd.

McGreevy, P., Christensen, J. W., Kï, U. & McLean, A. (2018). Equitation science. John Wiley & Sons.

McGreevy, P. & Yeates, J. (2019). Horses (Equus caballus). In: J. Yeates, Companion Animal Care and Welfare: The UFAW Companion Animal Handbook (pp. 266-292). John Wiley & Sons Ltd.

Mejdell, C. M., Bøe, K. E. & Jørgensen, G. H. (2020). Caring for the horse in a cold climate—Reviewing principles for thermoregulation and horse preferences. Applied Animal Behaviour Science. 231. 105071.

Morgan, K. (1998). Thermoneutral zone and critical temperatures of horses. Journal of Thermal Biology. 23(1). 59-61.

Olaleye, O. D., Tomori, O. & Schmitz, H. (1996). Rift Valley fever in Nigeria: infections in domestic animals. Revue Scientifique et Technique-Office International des Épizooties. 15(3). 937-946.

Orlando, L. 2019. Ancient Genomes Reveal Unexpected Horse Domestication and Management Dynamics. BioEssays 42(1). https://doi.org/10.1002/bies.201900164.

Osthaus, B., Proops, L., Long, S., Bell, N., Hayday, K., & Burden, F. (2018). Hair coat properties of donkeys, mules and horses in a temperate climate. Equine veterinary journal, 50(3), 339-342.

Owen, K. R., Singer, E. R., Clegg, P. D., Ireland, J. L., & Pinchbeck, G. L. (2012). Identification of risk factors for traumatic injury in the general horse population of north‐west England, Midlands and north Wales. Equine veterinary journal, 44(2), 143-148.

Platt, H. (1982). Sudden and unexpected deaths in horses: a review of 69 cases. British Veterinary Journal. 138(5). 417-429.

Playford, E. G., McCall, B., Smith, G., Slinko, V., Allen, G., Smith, I., Moore, F., Taylor, C., Kung, Y. & Field, H. E. (2010). Human Hendra virus encephalitis associated with equine outbreak, Australia, 2008. Emerging Infectious Diseases. 16(2). 219-223.

Pugh, D. G., Passler, N. & Ziska, S. (2017). Miniature horses and ponies. In: B. M. Waldridge, Nutritional Management of Equine Diseases and Special Cases (1st edition). John Wiley & Sons, Inc.

Redondo, A. J., Carranza, J. & Trigo, P. (2009). Fat diet reduces stress and intensity of startle reaction in horses. Applied Animal Behaviour Science. 118(1-2). 69-75.

Rubenstein, D. (2011). Family Equidae. In D. Wilson, & R. Mittermeier, Handbook of the mammals of the world volume 2 (pp. 106-143). Barcelona: Lynx Edicions.

Sabeta, C. T. & Randles, J. L. (2005). Importation of canid rabies in a horse relocated from Zimbabwe to South Africa: research communication. Onderstepoort Journal of Veterinary Research. 72(1). 95-100.

Snoeks, M. G., Moons, C. P., Ödberg, F. O., Aviron, M. & Geers, R. (2015). Behavior of horses on pasture in relation to weather and shelter—A field study in a temperate climate. Journal of Veterinary Behavior. 10(6). 561-568.

Song, S., Oh, DY., Cho, GJ. et al. 2017. Targeted next-generation sequencing for identifying genes related to horse temperament. Genes Genom 39: 1325–1333. https://doi.org/10.1007/s13258-017-0597-5.

Stephens, T. D. & Splan, R. K. (2013). Population history and genetic variability of the American Shire horse. Animal Genetic Resources. 52. 31-38.

Tantawi, H. H., Shony, M. O. & Al-Tikriti, S. K. (1981). Antibodies to Crimean-Congo haemorrhagic fever virus in domestic animals in Iraq: a seroepidemiological survey. International Journal of Zoonoses. 8(2). 115-120.

Waring, G.H. (2003). Horse behavior (2nd edition). Norwich: Noyes Publications / William Andrew Publishing.

Wollanke, B., Rohrbach, B. W. & Gerhards, H. (2001). Serum and vitreous humor antibody titers in and isolation of Leptospira interrogans from horses with recurrent uveitis. Journal of the American Veterinary Medical Association. 219(6). 795-800.

Bent u tevreden over deze pagina?