Penseelzwijn

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Meijaard et al., 2011 ; Reyna et al., 2016)
Familie Suidae
Subfamilie Suinae
Genus Potamochoerus
Soort Potamochoerus porcus
Gedomesticeerd Nee
Kruising Nee
Volwassen grootte
  • Kop-romp: 100-145 cm
  • Staart: 30-45 cm
Gewicht 45-115 kg
Dieet Omnivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Benin, Kameroen, Centraal Afrikaanse Republiek, Congo, Democratische Republiek Congo, Ivoorkust, Equatoriaal-Guinea, Gabon, Ghana, Guinea, Guinea-Bissau, Liberia, Mali, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Zuid Sudan, Togo en Uganda.
  • Habitat: Bossen, moeras, savanne.
Levensverwachting 10-15 jaar
IUCN-status "Least concern"
CITES Niet vermeld

Risicoklasse F

Penseelzwijnen zijn in staat ernstige letselschade te veroorzaken bij de mens. Daarnaast zijn in vier risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Om deze redenen valt het penseelzwijn onder “risicoklasse F”.

Samenvatting beoordeling van het penseelzwijn

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (!), maar telt deze niet mee in de eindscore. Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X).

Gezondheid mens
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) Bij het penseelzwijn zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Leptospira spp. en Mycobacterium bovis aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
Letselschade XF  Bij penseelzwijnen is er gevaar op zeer ernstig letsel bij de mens, waardoor het penseelzwijn direct onder risicoklasse F valt.

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X Penseelzwijnen moeten dagelijks langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid X
  • Penseelzwijnen gebruiken een afgezonderde nestplaats.
  • Penseelzwijnen hebben een sterke vluchtreactie.
  • Penseelzwijnen gebruiken zelf gegraven kuilen.
Thermoregulatie X
  • Het penseelzwijn is aangepast aan een tropisch klimaat.
  • Penseelzwijnen gebruiken speciale zoelplaatsen.
Sociaal gedrag X Penseelzwijnen hebben een dominantiehiërarchie.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG1 ! (signalerend) Bij het penseelzwijn zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Leptospira spp. (Hunter et al., 1988; de Vries et al., 2014) en Mycobacterium bovis (Michel et al., 2006) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2 XF Het penseelzwijn weegt 45-115 kg en beschikt over scherpe slagtanden (Meijaard et al., 2011). Zwijnen kunnen extreem agressief zijn wanneer ze bedreigd worden en gebruiken hun slagtanden om zich te verdedigen (Meijaard et al., 2011; Sutherland-Smith, 2015). Gezien de grootte, morfologie en het gedrag van penseelzwijnen kunnen ze zeer ernstig letsel bij de mens veroorzaken, waardoor het penseelzwijn direct onder risicoklasse F valt.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   Het penseelzwijn is een omnivoor (Breytenbach & Skinner, 1982; Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2   Het penseelzwijn heeft geen hypsodonte gebitselementen (Langer, 2017; Leslie & Huffman, 2013; Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V3 X Penseelzwijnen maken gebruik van verspreid beschikbare voedselbronnen en wroeten soms tot wel 40 cm diepte om aan hun voedsel te komen (Ghiglieri et al., 1982; Seydack, 1990; Skinner et al., 1976). Penseelzwijnen hebben een grote home range tot 10 km2 en leggen dagelijks 2-6 km af (Meijaard et al., 2011; Melleti & Meijaard, 2017). Nauw verwante en sympatrische Sus scrofa spenderen circa 40-65% van de tijd aan foerageren (Meijaard et al., 2011; Stolba & Wood-Gush, 1989). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van penseelzwijnen bestaat uit wortels, knollen, grassen, bladeren, waterplanten, bollen, fruit, aas en kleine dieren (Breytenbach & Skinner, 1982; Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1   Penseelzwijnen hebben een home range van 4-10 km2 (Meijaard et al., 2011; Melleti & Meijaard, 2017). Er is geen sprake van markeer- en patrouilleergedrag langs de grenzen van het territorium (Frädrich, 1974; Ghiglieri et al., 1982; Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2 X Penseelzwijnen gebruiken een afgezonderde nestplaats voor het werpen en grootbrengen van jongen en als rustplaats (Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R3 X Penseelzwijnen zijn gevoelig voor capture myopathy, wat optreedt tijdens de vluchtreactie (Sutherland-Smith, 2015). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R4 X Penseelzwijnen gebruiken zelf gegraven kuilen (Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R5   Voor penseelzwijnen zijn er geen specifieke omgevingselementen essentieel (Meijaard et al., 2011; Reyna et al., 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 X

Penseelzwijnen leven in een tropisch klimaat (Reyna et al., 2016; Schultz, 2005). De gemiddelde maandelijkse temperatuur komt niet onder de 18 °C. In de warmste maanden ligt de gemiddelde temperatuur rond de 30 °C met maximumtemperaturen van boven de 40 °C. De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid varieert van 500-1500 mm in gebieden met een regenseizoen in de zomer tot 2000-4000 mm in tropisch regenwoudgebieden met jaarrond regen. Het tropisch regenwoud heeft een zeer hoge luchtvochtigheid van 90-100% (Schultz, 2005). Pasgeboren jongen van penseelzwijnen hebben een slechte thermoregulatie en zijn gevoelig voor kou (Leslie & Huffman, 2013).

Het penseelzwijn is aangepast aan een tropisch klimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

T2 X Penseelzwijnen maken gebruik van modderbaden (Meijaard et al., 2011; Skinner et al., 1976). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
T3   Penseelzwijnen zijn jaarrond actief (Breytenbach & Skinner, 1982). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Penseelzwijnen hebben een polygame leefwijze (Meijaard et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Penseelzwijnen leven in groepen bestaande uit 7-10 individuen, waaronder meerdere volwassen vrouwtjes, jongen, en 1 volwassen mannetje, maar kunnen samen komen in grotere groepen (Leslie & Huffman, 2013). In groepen zwijnen bestaat er gewoonlijk een dominantiehiërarchie (Sutherland-Smith, 2015). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3   Vrouwtjes zijn vanaf 18-24 maanden geslachtsrijp (Meijaard et al., 2011). Vrouwtjes zijn 120-127 dagen drachtig en krijgen per worp 1-4 jongen (Meijaard et al., 2011; Skinner et al., 1976). Penseelzwijnen hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Breytenbach, G., & Skinner, J. (1982). Diet, feeding and habitat utilization by bushpigs Potamochoerus porcus Linnaeus. S. Afr. Tydskr. Natuurnav. 12(1), 1-7.

de Vries, S., Visser, B., Nagel, I., Goris, M., Hartskeerl, R., & Grobusch, M. (2014). Leptospirosis in Sub-Saharan Africa: a systematic review. International Journal of Infectious Diseases, 47-64.

Frädrich, H. (1974). A comparison of behaviour in the Suidae. In V. Geist, & F. Walther, Behaviour of ungulates and its relation to management. (pp. 133-143). International Union for Conservation of Nature and Natural Resources.

Ghiglieri, M., Butynski, T., Struhsaker, T., & Leland, L. (1982). Bush pig (Potamochoeruas porucs) polychromatism and ecology in Kibale Forest, Uganda. Afr. J. Ecol. Volume 20, 213-236.

Hunter, P., Flamand, J., Myburgh, J., & van der Merwe, S. (1988). Serological reactions to Leptospira species in game animals of northern Natal. Journal of Veterinary Research 55, 191-192.

Langer, P. (2017). Comparative anatomy of the gastrointestinal tract in Eutheria I: Taxonomy, Biogeography and Food: Afrotheria, Xenarthra and Euarchontoglires. Berlijn: Walter de Gruyter GmbH & Co KG.

Leslie, D., & Huffman, B. (2013). Potamochoerus porcus (Artiodactyla Suidae). Mammalian species 47(919), 15-31.

Meijaard, E., d'Huart, J., & Oliver, W. (2011). Handbook of the mammals of the world, Hoofed mammals Volume 2. Lynx Edicions.

Melleti, M., & Meijaard, E. (2017). Ecology, conservation and management of wild pigs and peccaries. Cambirdge University Press.

Michel, A., Bengis, R., Keet, D., Hofmeyr, M., de Klerk, L., Cross, P., . . . Godfroid, J. (2006). Wildlife tuberculosis in South African conservation areas: Implications and challenges. Veterinary Microbiology, 112, 91-100. doi:10.1016/j.vetmic.2005.11.035

Reyna, R., Jori, F., Querouil, S., & Leus, K. (2016). The IUCN Red List of Threatened Species. Opgehaald van Potamochoerus porcus: http://dx.doi.org/10.2305/IUCN.UK.2016-1.RLTS.T41771A44141118.en

Schultz, J. (2005). The ecozones of the world, the ecological divisions of the geosphere. Aachen, Germany: Springer.

Seydack, A. (1990). Ecology of the bushpig Potamochoerus porcus linn. 1758 in the Cape Province, South Africa. Stellenbosch: Stellenbosch University.

Skinner, J., Breytenbach, G., & Maberly, C. (1976). Observations on the ecology and biology on the bushpig Potamochoerus porcus Linn in the northern Transvaal. South African Journal of Wildlife Research 6(2), 123-128.

Stolba, A., & Wood-Gush, G. (1989). The behaviour of pigs in a semi-natural environment. Anim. Prod., 419-425.

Sutherland-Smith, M. (2015). Suidae and Tayassuidae. In E. Miller, & M. Fowler, Fowler's Zoo and Wild Animal Medicine, Volume 8. Elsevier Health Sciences.

Bent u tevreden over deze pagina?