Rund

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Castelló, 2016; Wilson & Reeder, 2005)
Familie Bovidae
Subfamilie Bovinae
Genus Bos
Soort

Bos taurus

  • Bos taurus taurus (Europees rund)
  • Bos taurus indicus (zeboe)
Gedomesticeerd Runderen zijn vanaf de steentijd gehouden en gedomesticeerd (Scheu 2018; Boden 2008; Eusebi et al. 2020; O’Neill et al. 2010; Zhang et al. 2020).
Kruising Nee
Volwassen grootte

Verschilt sterk per ras.

  • Kop-romp: 150-250 cm
  • Schofthoogte: 86-185 cm
Gewicht 150-1300 kg. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes.
Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Wordt wereldwijd gehouden.
  • Habitat: n.v.t.
Levensverwachting 16-25 jaar
IUCN-status n.v.t.
CITES -

Risicoklasse C, D, F

Grote runderrassen zijn in staat ernstige letselschade te veroorzaken bij de mens. Om deze reden vallen grote runderrassen onder “risicoklasse F”. Daarnaast zijn in ten minste twee risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Vanwege de variatie tussen rassen op T1 bestaat er een bandbreedte van C-D voor kleinere runderrassen.

Samenvatting beoordeling van het rund

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (!), maar telt deze niet mee in de eindscore. Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF).

Gezondheid mens
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) Bij het rund zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Mycobacterium bovis, Coxiella burnetii, Leptospira interrogans, het rabiësvirus, het Rift Valley fever virus, Brucella abortus en Chlamydia abortus aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.
Letselschade 0-XF Bij sommige runderrassen is er gevaar op zeer ernstig letsel bij de mens, waardoor sommige runderrassen direct onder risicoklasse F vallen.

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X
  • Het rund heeft hypsodonte gebitselementen.
  • Runderen moeten dagelijks langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid   In deze risicocategorie zijn geen risicofactoren van toepassing.
Thermoregulatie 0-X Sommige rassen zijn niet aangepast aan een gematigd zeeklimaat.
Sociaal gedrag X Runderen hebben een dominantiehiërarchie met lineaire kenmerken.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG1 ! (signalerend) Bij runderen zijn de hoog-risico zoönotische pathogenen Mycobacterium bovis (Cousins, 2001), Coxiella burnetii (McCaughey et al., 2010), Leptospira interrogans (Atxaerandio et al., 2005), het rabiësvirus (Delpietro et al., 2001), het Rift Valley fever virus (Chevalier et al., 2011), Brucella abortus(Hamdy & Amin, 2002) en Chlamydia abortus (Yin et al., 2014) aangetoond. Dit leidt tot een signalerende toepassing van deze risicofactor.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2 0-XF Het rund weegt 150-1300 kg en de meeste rassen beschikken over hoorns van 20-100 cm (Castelló, 2016). Runderen kunnen op verschillende manieren mensen verwonden: ze kunnen mensen fataal doorboren met hun hoorns, kopstoten geven, duwen, pletten en schoppen. Gedomesticeerde runderen zijn in het algemeen zachtaardig, maar rassen en geslachten van runderen verschillen sterk in hun reacties en hanteerbaarheid. Melkkoeien zijn vaak gewend aan gehanteerd worden en zijn daarmee handelbaarder dan andere rassen. Stieren (vooral van melkkoeien) zijn erg gevaarlijk en onvoorspelbaar; speciale methoden zijn nodig om ze in bedwang te houden (Fowler, 1995; Sheldon et al., 2009). Er zijn echter ook kleine en vaak hoornloze rassen met weinig risico op letsel bij de mens. Gezien de grootte, morfologie en het gedrag van sommige runderrassen, kunnen ze zeer ernstig letsel bij de mens veroorzaken, waardoor sommige runderrassen direct onder risicoklasse F vallen.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   Het rund is een grazer (Castelló, 2016; Hofmann, 1989). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2 X Het rund heeft hypsodonte kiezen (Lobprise & Dodd, 2019; Mendoza & Palmqvist, 2007). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V3 X Runderen spenderen 38,5-42,5% per dag aan grazen en 25,1- 32,7% aan herkauwen (Hessle et al., 2008). Om aan energiebehoeften te kunnen voldoen moeten grazende herkauwers betrekkelijk veel consumeren en besteden zij dagelijks enkele lange periodes aan foerageren om de grote pens, die is geoptimaliseerd voor de fermentatie van vezels, maximaal te vullen (Hofmann, 1989). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van runderen bestaat uit grassen, stengels en overig kruidachtig plantmateriaal (Castelló, 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1   Agressie en territorialiteit komen weinig voor bij melkkoeien (Arave & Albright, 1981). Markeergedrag lijkt niet belangrijk te zijn voor runderen (le Neindre, 1989). Runderen hebben geen latrines en lijken met hun ontlasting geen specifieke plekken te markeren (Whistance et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2   Runderen gebruiken geen afgezonderde nestplaats (Castelló, 2016; Finger et al., 2014). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R3   Runderen zijn gedomesticeerd en lopen met een lage snelheid weg wanneer een persoon te dichtbij komt. Als een persoon parallel voorbijloopt, kunnen ze ook stil gaan staan om zo de persoon op afstand te houden (Beaver & Höglund, 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R4   Runderen gebruiken geen holen of kuilen (Castelló, 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R5   Voor runderen zijn er geen specifieke omgevingselementen essentieel (Kimura & Ihobe, 1985). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 0-X Runderen worden wereldwijd in grote aantallen gehouden in diverse klimaten, waaronder in het gematigd zeeklimaat van Nederland (FAO, 2020). De thermoregulatie van runderen verschilt sterk per ras. Rassen die hoogproductief zijn kunnen minder goed tegen hitte omdat ze zelf met hun hoge metabolisme veel warmte produceren (Kadzere et al., 2002). Ook dubbelgespierde vleeskoeien kunnen minder goed tegen hitte (Halipre, 1973). Rassen met een Aziatische of Afrikaanse oorsprong zijn niet goed bestand tegen een gematigd zeeklimaat. De ondersoort de zeboe (B. t. indicus) is aangepast aan een subtropisch en tropisch klimaat en is in het algemeen beter tegen hitte bestand dan het Europees rund (B. t. taurus) (Beatty et al., 2004; Beatty et al., 2014; Gaughan et al., 2008). De zeboe lijkt daarentegen minder goed tegen kou te kunnen (Godfrey et al., 1991). Sommige runderrassen zijn niet aangepast aan een gematigd zeeklimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing op sommige rassen.
T2   Uit gedetailleerd gedragsonderzoek is niet gebleken dat runderen gebruik maken van een speciale zoel-, koel- of opwarmplaats (van Iaer et al., 2014). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3   Runderen zijn jaarrond actief (Castelló, 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Runderen hebben een polygame leefwijze (Castelló, 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Vrouwelijke runderen hebben een lineaire of quasi-lineaire dominantiehiërarchie (Beilharz & Zeeb, 1982; Šárová et al., 2013; Val-Lalleit et al., 2007). Ook onder mannelijke runderen bestaat een dominantie hiërarchie met lineaire kenmerken (Lazo, 1995; Stricklin et al., 1980). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3   Vrouwtjes zijn vanaf 6-24 maanden geslachtsrijp en kunnen één keer per jaar werpen. Vrouwtjes zijn 274-308 dagen drachtig en krijgen per worp meestal één jong. Runderen kunnen zich jaarrond voortplanten, maar er worden meer jongen geboren in de lente (Castelló, 2016). Runderen hebben geen grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Verwijzingen

Arave, C. W. & Albright, J. L. (1981). Cattle behavior. Journal of Dairy Science. 64(6). 1318-1329.

Atxaerandio, R., Aduriz, G., Ziluaga, I., Esteban, J. I., Maranda, L. & Mainar-Jaime, R. (2005). Serological evidence of Leptospira interrogans serovar Bratislava infection and its association with abortions in cattle in northern Spain. Veterinary Record. 156(12). 376-380.

Beatty, D., Barnes, A., Pethick, D. W., Taylor, E. & Dunshea, F. R. (2004). Bos indicus cattle can maintain feed intake and fat reserves in response to heat stress better than Bos taurus cattle. Journal of Animal and Feed Sciences. 13(suppl. 1). 619-622.

Beatty, D. T., Barnes, A., Taylor, E., Pethick, D., McCarthy, M. & Maloney, S. K. (2006). Physiological responses of Bos taurus and Bos indicus cattle to prolonged, continuous heat and humidity. Journal of Animal Science. 84(4). 972-985.

Beaver, B. V. & Höglund, D. L. (2016). Dairy Cattle Handling: Practical Applications of Science. In B. V. Beaver and D. L. Höglund, Efficient Livestock Handling (pp. 124-157). Academic Press.

Beilharz, R. G. & Zeeb, K. (1982). Social dominance in dairy cattle. Applied Animal Ethology. 8(1-2). 79-97.

Boden, D.W.R. (2008). Miniature Cattle: For Real, For Pets, For Production. Journal of Agriculture & Food Information 9(2): 167-183. https://doi.org/10.1080/10496500802174036

Castelló, J. R. (2016). Tribe Bovini. In: J. R. Castelló, Bovids of the world: antelopes, gazelles, cattle, goats, sheep, and relatives (pp. 596-649). Princeton University Press.

Chevalier, V., Rakotondrafara, T., Jourdan, M., Heraud, J. M., Andriamanivo, H. R., Durand, B., Ravaomanana, J., Rollin, P. E. & & Rakotondravao, R. (2011). An unexpected recurrent transmission of Rift Valley fever virus in cattle in a temperate and mountainous area of Madagascar. PLoS Negl Trop Dis.5(12). e1423.

Cousins, D. V. (2001). Mycobacterium bovis infection and control in domestic livestock. Revue Scientifique et Technique-Office International des Epizooties. 20(1). 71-85.

Delpietro, H. A., Larghi, O. P. & Russo, R. G. (2001). Virus isolation from saliva and salivary glands of cattle naturally infected with paralytic rabies. Preventive Veterinary Medicine. 48(3). 223-228.

Eusebi et al. 2020. Aggressive behavior in cattle is associated with a polymorphism in the MAOA gene promoter. Animal genetics 51(1):14-21. https://doi.org/10.1111/age.12867

Finger, A., Patison, K. P., Heath, B. M. & Swain, D. L. (2014). Changes in the group associations of freeranging beef cows at calving. Animal Production Science. 54(3). 270-276.

FAO (2020). FAOSTAT Live Animals. Opgehaald op 09-11-2020: http://www.fao.org/faostat/en/#data/QA.

Fowler, M. (1995). Chapter 9 – Cattle and other domestic bovids. In M. Fowler, Restraint and handling of wild and domestic animals (pp. 124-141). Hoboken (NJ): Wiley-Blackwell. Gaughan, J. B., Mader, T. L., Holt, S. M., & Lisle, A. (2008). A new heat load index for feedlot cattle. 
Journal of Animal Science, 86(1), 226-234.

Godfrey, R. W., Smith, S. D., Guthrie, M. J., Stanko, R. L., Neuendorff, D. A. & Randel, R. D. (1991). Physiological responses of newborn Bos indicus and Bos indicus × Bos taurus calves after exposure to cold. Journal of Animal Science. 69(1). 258-263.

Halipre, A. (1973). Study on the" double-muscle" character. X. Heat susceptibility in double-muscled cattle. Annales de Genetique et de Selection Animale. 5(4). 441-449.

Hamdy, M. E. & Amin, A. S. (2002). Detection of Brucella species in the milk of infected cattle, sheep, goats and camels by PCR. The Veterinary Journal. 163(3). 299-305.

Hessle, A., Rutter, M. & Wallin, K. (2008). Effect of breed, season and pasture moisture gradient on foraging behaviour in cattle on semi-natural grasslands. Applied Animal Behaviour Science. 111(1-2).108-119.

Hofmann, R. R. (1989). Evolutionary steps of ecophysiological adaptation and diversification of ruminants: a comparative view of their digestive system. Oecologia. 78(4). 443-457.

van Iaer, E., Moons, C. P. H., Sonck, B. & Tuyttens, F. A. M. (2014). Importance of outdoor shelter for cattle in temperate climates. Livestock Science. 159. 87-101.

Kadzere, C. T., Murphy, M. R., Silanikove, N. & Maltz, E. (2002). Heat stress in lactating dairy cows: a review. Livestock Production Science. 77(1). 59-91.

Kimura, D. & Ihobe, H. (1985). Feral cattle (Bos taurus) on Kuchinoshima Island, southwestern Japan: Their stable ranging and unstable grouping. Journal of Ethology. 3(1). 39-47.

Lazo, A. (1995). Ranging behaviour of feral cattle (Bos taurus) in Donana National Park, SW Spain. Journal of Zoology. 236(3). 359-369.

Lobprise, H. B. & Dodd, J. R. B. (Eds.). (2019). Wiggs's Veterinary Dentistry: Principles and Practice. John Wiley & Sons.

McCaughey, C., Murray, L. J., McKenna, J. P., Menzies, F. D., McCullough, S. J., O'Neill, H. J., Wyatt, D. E., Cardwell, C. R. & Coyle, P. V. (2010). Coxiella burnetii (Q fever) seroprevalence in cattle. Epidemiology & Infection. 138(1). 21-27.

Mendoza, M. & Palmqvist, P. (2007). Hypsodonty in ungulates: an adaptation for grass consumption or for foraging in open habitat? Journal of Zoology. 274. 134-142.

le Neindre, P. (1989). Influence of rearing conditions and breed on social behaviour and activity of cattle in novel environments. Applied Animal Behaviour Science. 23(1-2). 129-140.

O’Neill, C.J. et al. 2010. Evolutionary process of Bos taurus cattle in favourable versus unfavourable environments and its implications for genetic selection. Evolutionary Applications 3(5-6): 422-433. https://doi.org/10.1111/j.1752-4571.2010.00151.x

Šárová, R., Špinka, M., Stěhulová, I., Ceacero, F., Šimečková, M. & Kotrba, R. (2013). Pay respect to the elders: age, more than body mass, determines dominance in female beef cattle. Animal Behaviour.86(6). 1315-1323.

Sheldon, K. J., Deboy, G., Field, W. E. & Albright, J. L. (2009). Bull-related incidents: their prevalence and nature. Journal of Agromedicine. 14(3). 357-369.

Scheu, A. 2018. Neolithic animal domestication as seen from ancient DNA. Quaternary International 496: 102-107.

Stricklin, W. R., Graves, H. B., Wilson, L. L. & Singh, R. K. (1980). Social organization among young beef cattle in confinement. Applied Animal Ethology. 6(3). 211-219.

Val-Laillet, D., de Passillé, A. M., Rushen, J. & von Keyserlingk, M. A. (2008). The concept of social dominance and the social distribution of feeding-related displacements between cows. Applied Animal Behaviour Science. 111(1-2). 158-172.

Wilson, D. E. & Reeder, D. M. (2005). Mammal Species of the World. A Taxonomic and Geographic Reference (3rd ed). Johns Hopkins University Press.

Whistance, L. K., Sinclair, L. A., Arney, D. R. & Phillips, C. J. C. (2011). Eliminative behaviour of dairy cows at pasture. Applied Animal Behaviour Science. 130(3-4). 73-80.

Yin, L., Schautteet, K., Kalmar, I., Bertels, G., Van Driessche, E., Czaplicki, G., Borel, N., Longbottom, D., Frétin, D., Dispas, M. & Vanrompay, D. (2014). Prevalence of Chlamydia abortus in Belgian ruminants. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift. 83(4). 164-170.

Zhang, K., J.A. Lenstra, S. Zhang, W. Liu & J. Liu 2020. Evolution and domestication of the Bovini species. Animal Genetics 51(5). https://doi.org/10.1111/age.12974

Bent u tevreden over deze pagina?